39. Feiten, meningen en spraakverwarring

“Wetenschap is ook maar een mening!” zeggen steeds meer mensen. En hoewel dat slechts een mening is denk ik wel te begrijpen waarom ze dat zeggen. De regels waarmee wetenschap wordt bedreven zijn voor de meeste mensen onbekend en de manier waarop er over wordt geschreven door de media is vaak sturend: nieuw gevonden inzichten worden als vaststaand en definitief weergegeven, zelfs als het onderzoek nog in volle gang is en ook als de wetenschapper in alle redelijkheid kan vermoeden dat het eind van dat verhaal nog lang niet in zicht is. Om het gevonden inzicht voor een groot publiek duidelijk te maken wordt veel context, en dus ook nuance, weggelaten, maar laat daarmee wel ruimte om conclusies te trekken die inderdaad best als mening kunnen worden weggezet: wanneer is een conclusie nog de afsluiting van een onderzoeksproces en wanneer begint de meningsvorming? Voor de betrokken onderzoekers is het antwoord daarop duidelijk, maar voor de lezers niet meer. En dan begint de spraakverwarring.

Tel daarbij op dat we als mens, sommigen meer dan anderen, maar toch!, bij het horen/lezen van alleen een uitspraak al conclusies verbinden die per persoon verschillen. Een voorbeeld: ik zeg tegen mijn dochter dat ze te veel snoep eet en haar reactie is: nou zeg, je kan niet zomaar zeggen dat ik dik ben! Het valt me geregeld op dat als je het een zegt het ander wordt opgepakt en je vaak niet eens kunt sturen hoe mensen je uitspraak zullen interpreteren want iedereen heeft daar een eigen context voor. Goede communicatie is ongelooflijk moeilijk omdat we niet reageren op wat er letterlijk gezegd wordt maar op wat men meent dat er gezegd wordt. Tussen de regels door lezen is doorgeslagen!

Ik denk dat we in het vo en in lerarenopleidingen expliciet (meer) aandacht moeten besteden aan het verschil tussen mening en feit en hoe het wetenschappelijk apparaat werkt, aan de hand van concrete voorbeelden. Neem de uitgave van de Nederlandse New Scientist van juni dit jaar: op bladzijde 11 wordt vermeld dat er twee 13.000 jaar oude voortanden zijn gevonden waarin gaatjes zitten die zijn gevuld met teer, planten en haren. We kunnen de vondst, inclusief het resultaat van de ouderdomsmeting en de analyse van de stoffen in de tanden, feiten noemen; ze zijn door een wetenschappelijk proces vastgesteld. Wanneer ik daar aan toe voeg dat de gaatjes afkomstig zullen zijn van teveel aardbeien eten ben ik aan het speculeren en kunnen we dat een mening noemen. Ik zou, in de wetenschap dat er 13.000 jaar geleden nog geen snoep bestond, zelfs kunnen “concluderen” dat je “dus” geen gaatjes van snoepen krijgt want ze ontstaan ook zonder snoepen! Het trekken van conclusies uit droge feiten kan alle kanten op gaan en de leek doet dat niet methodisch, niet kritisch en checkt de eigen inzichten niet, zelfs niet met gedachte-experimenten, laat staan met harde onderzoeksmethoden. Waaruit de onbekendheid met het wetenschappelijke onderzoeksproces maar weer eens blijkt. Maar de conclusies worden wel getrokken en die gaan op de sociale media een eigen leven leiden.

De vraag is hoe je dit weer in de hand kunt krijgen en de enorme spraakverwarringen weer tot normale proporties teruggedrongen kunnen worden. Een eerste stap zit in de scholing van mavisten tot en met vwo-ers, maar ook in de media moet een zorgvuldiger berichtgeving komen die gestuurd wordt vanuit en gecontroleerd wordt door de onderzoekswereld.

En dan zwijg ik nog over de gemanipuleerde onderzoeksresultaten waarmee bedrijven bewust hun omzetten proberen te verhogen. Laten we dat voortaan het stempel crimineel geven. Of is dat er al? Want ik krijg de indruk dat dat niet zo wordt beleefd.

38. Groeten, een zegen of een vloek?

Kijk, zo hoort het!

Wel eens geprobeerd om iemands aandacht te krijgen als die in een spannend boek zat te lezen? Of wanneer die diep in gedachten verzonken is! Dat is net zo moeilijk als aandacht vragen wanneer iemand met z’n telefoon bezig is. Als ik over straat loop denk ik aan van alles en regelmatig loop ik daarbij familie, vrienden en bekenden straal voorbij. Geen groet of niks, want ik zie ze dan gewoon niet. 

Buschauffeurs groet ik wel altijd, hoewel ik sommigen behoorlijk nors kan vinden en ik niet eens altijd word teruggegroet. Tsss! Maar iedereen heeft wel eens een slechte bui, dus ik groet openbare vervoerders omdat ik dat gewend ben en intussen weet dat mensen daar een groot belang aan hechten. In Trouw van 23 augustus 2017 vertelt een lezer dat een tramchauffeur bijkans vol schoot omdat hij na 2,5 uur door zijn passagiers genegeerd te zijn eindelijk door iemand, de lezer, werd gegroet. En dat niemand meer groet zou debet zijn aan die vermaledijde smartphones waar iedereen op zit te kijken tijdens de reis. Ik geloof daar niets van. Mensen zijn nu met zoveel dat je min of meer anoniem bent geworden en bij veel instappunten zit niet eens iemand om te groeten. Ben je dan zelf ook in gedachten of geconcentreerd op je reis dan kan het gebeuren dat je vergeet te groeten. Ik vind die telefoons in de openbare ruimte juist een zegen. Nauwelijks ongemakkelijke blikken meer van je medepassagiers, je wordt niet meer lastig gevallen omdat iemand zich toch toevallig het dak af staat te vervelen en het geeft enigszins rust wanneer er stil gescrolld wordt. Heerlijk, vooral mee doorgaan. De afleiding die die telefoons geven kan wel degelijk positief zijn.

In winkels echter vind ik het groeten vreemde vormen aannemen. Ik groet als ik ergens binnenkom en daarbij met iemand oogcontact maak. Maar als een verkoopster, nadat ik al tien minuten binnen ben en een kledingstuk sta te keuren, mij vanaf de andere kant van de winkel ineens een luid “GOEDEMIDDAG!” toebrult en ik mijn stem moet verheffen om de groet te kunnen beantwoorden terwijl ik de groeter in kwestie nog niet eens gelokaliseerd heb denk ik bij mezelf “Laat me alsjeblieft met rust!”. Maar winkels beginnen sowieso zo langzamerhand een no-go-area te worden - slecht nieuws voor mij! - nu verkopers geïnstrueerd worden om de klant tot nog meer kopen te verleiden. Neem nou de koffieverkopers op stations: als ik het waag om slechts met een broodje bij de kassa te komen wordt er direct geïnformeerd of ik daar nog iets te drinken bij wil en bij een drankje wordt geïnformeerd of er niet iets te eten bij moet. Ik heb eens gevraagd waarom ze dat tegenwoordig steeds doen. Het antwoord: “De klant neemt het ons kwalijk wanneer die er niet aan herinnerd wordt dat hij bijna die tweede koop was vergeten!” Tuurlijk, joh. Maar als ze mij weer vragen of ik er nog iets bij wil zeg ik niet langer vriendelijk “Nee, dank u”, maar alleen kort: “nee”. 

De lokale Griek in ons dorp maakte het een keer zo bond: “Wilt u niet een typisch Grieks drankje terwijl u zit te wachten tot we uw eten klaar hebben?” Hij drong nogal aan en daarom accepteerde ik het aanbod. Maar het kwam wel op de rekening: 10 euro voor twee slokjes. Daar trappen we dus voortaan ook niet meer in, want ik kom gewoon helemaal niet meer. Maar ook toen groette ik keurig bij het weggaan. Ik kan het niet helpen.

37. Het recht op leren comazuipen

Waarom is dit leuk?

De opvatting “drinken moet je thuis van je ouders leren” kom je onder alle lagen van de bevolking tegen. Terwijl wetenschappelijk onderzoek nu juist heeft uitgewezen dat de kans op ernstiger en langduriger alcoholisme toeneemt naarmate je eerder met alcoholinname begint en er een duidelijk verband tussen alzheimer/dementie en langdurig rook- en drinkgedrag door het leven heen bestaat. Dus of je nou slim of dom bent, hoog opgeleid of ongeschoold, we hebben collectief kennelijk geen flauw benul van de gevaren van te vroeg en overmatig alcoholgebruik. We kunnen stoppen met al die voorlichting op scholen want niemand schijnt die serieus te nemen.

De belangrijkste opvoedregel is (alweer onderzoek, maar ook ervaring!): “goed voorbeeld doet volgen”. En aangezien de meest ingenomen en breedst geaccepteerde drug nog altijd alcohol is leren de meeste ouders door hun voorbeeldfunctie sowieso hun kinderen al om te gaan drinken.

'Handige' tips zoals dat je na het kotsen beter even geen glaasjes kunt nemen want dan kun je kort daarna weer verder drinken, aldus Jamal Ouariachi in Trouw van 4 augustus 2017, is schijnbaar iets dat de jeugd ook beslist geleerd moet krijgen. Alsof ze daar op eigen kracht niet achter zouden komen. Je moet jongeren wel leren dat er mogelijkheden zijn om nog meer in te kunnen nemen! Dat is heeeeeel erg belangrijk, want op nog meer overmaat heeft onze jeugd recht! Dat mogen we ze niet afnemen. En even een parallel met het onderwijs: we gaan er kennelijk van uit dat jongeren uit zichzelf geen vermogen tot leren hebben; ze moeten bij alles aan het handje gehouden worden. Dus ook bij leren drinken! Nu is het nog wachten op een maatregel die scholen oplegt om jongeren een verplichte drinkcursus te laten volgen, want niet alle ouders doen dat. Directe maatregelen van overheidswege die jongeren zonder drinkachtergrond kunnen beschermen tegen festivals zoals een compleet alcoholverbod of regelmatig op dronkenschap testen en dan bij te hoog promillage afvoeren zijn behoorlijk effectief. Maar daar kiezen we niet voor? Daar is het probleem van alcoholmisbruik niet belangrijk genoeg voor? En ouders die zich er echt zorgen om maken: houd je kind gewoon thuis! Dan wordt het ook niet veel te vroeg doof en komen er geen permanente, ongewenste hoge piepen in het hoofd.

Zijn we met z’n allen nou helemaal gek geworden?

36. Goed bedoelde vergissing is geen discriminatie!

Wanneer je, zoals ik, dagelijks de inhoudelijke artikelen, rubrieken en columns van Trouw leest valt het je misschien ook op dat er een in intensiteit toenemende discussie lijkt plaats te vinden over algemene en liefst gender-neutrale aanspreekvormen. Een ding is mij wel duidelijk geworden in deze nog niet besliste discussie: er kan altijd een groep zich verwaarloosd, gediscrimineerd of geschoffeerd voelen, wat we gezamenlijk ook afspreken. Wordt het niet eens tijd voor een collectieve therapiesessie voor alle Nederlanders (en met die aanduiding doel ik op alle in Nederland wonende mensen, al dan niet legaal, wit, enzovoort) waarin je leert om niet direct in die slachtofferstuip te schieten? Je beledigd voelen is in het geval van oprechte vergissingen bij de 'dader' helaas een keuze. Neem de volgende voorbeelden.

Geheel tegen mijn principe “gij zult niet zweten” in ren ik toch om de bus te halen en hier is waarom: terwijl mijn vinger nog bezig is op de deur-open-knop te drukken rijdt de bus weg. Een vrouw die er naast staat toe te kijken zegt medelijdend: Ach, en jij mag in jouw situatie niet eens rennen! Dus ik moest even schakelen (hoezo, mijn situatie?) en stelde haar opgelucht gerust: nee hoor, ik ben niet zwanger! Het arme mens put zich uit in excuses voor deze vermeende belediging en ook al zeg ik nog, vriendelijk lachend: Ik weet ook wel dat ik een buik heb, ik ben niet blind en kijk ook in de spiegel! is het leed toch geleden, ik krijg dat idee van een belediging niet meer uit haar hoofd. Voorbeeld van een goedbedoeld misverstand dat zich niet wil laten rechtzetten. Waarom zijn vrouwen zo koppig?

Op de speelplaats van de basisschool van mijn kinderen dezelfde ervaring: ik kom aangerend want ik wil voor de bel nog iets regelen, word ik afgeremd door een opmerking van een andere moeder die mij kritisch toesist: dat kan jij in jouw positie echt niet meer doen! Leg ik dus uit dat mijn buik misschien wel zwanger oogt maar dat echt niet is en laat ik in mijn haast iemand achter met een schuldgevoel dat torenhoog is. Maar ik laat mij niet in de slachtofferrol dwingen, ik weiger! En die buik blijft.

Toen ik mijn allereerste les op mijn eerste school ging geven stond ik in een drukke gang te worstelen met het slot van het lokaal. En terwijl ik opgelucht dacht: gelukkig, hij gaat open! kreeg ik mijn eerste vraag van een van mijn leerlingen, een jongen: Mevrouw Reinsma? Ja! Bent u zwanger? Mijn antwoord ging verloren in het gedrang van het binnenlopen van mijn klas. Deze jongen had geen last van schuldgevoel, hij was gewoon benieuwd. Houd dat vast!

Leek leest mee, als het mag

Toen ik voor mijn eerstegraads bevoegdheid studeerde was een onderdeel van de opleiding het schrijven van een portfolio dat aan allerlei eisen moest voldoen. Om het gewenste eindniveau te halen (dat waarmee je de bevoegdheid krijgt) was het noodzakelijk om de schrijfsels eerst ter voorlezing aan te bieden zodat eventuele fouten (spel-, grammaticale, inhoudelijke, logische en nog veel meer mogelijke fouten) er op voorhand al uit konden worden gehaald. En dat bleek nodig, want wat een wereld van verschil is er tussen wat je in je hoofd heel duidelijk voor ogen hebt en wat er dan op papier van verschijnt!

Maar dat laten voorlezen ging, bij mij, niet van harte. Ik hoef niemand uit te leggen hoe vervelend het is om op je onvolkomenheden gewezen te worden, zelfs als je best weet wat er aan schort. Ik deed het niet graag want als de kritiek komt kun je, nadat je je ego weer hebt opgepept en al je moed maar weer bij elkaar hebt geschraapt, je halve werk opnieuw schrijven. Waarbij vervolgens de conclusie compleet kan veranderen, je nog weer dingen moet doen om in het stuk te verwerken want anders kan je net zo goed niets inleveren, kortom:…drama! En ik ben liever lui dan moe.

Tot zover de nadelen, die beslist wegvallen tegen de voordelen van anderen met je mee laten lezen. Je wordt namelijk ook gedwongen om voor anderen begrijpelijk te zijn, je moet heel helder hebben wat je wilt zeggen en je wordt je bewust van associaties (door misconcepties) die anderen van je schrijven krijgen. En daar moet je rekening mee houden. Dat geldt voor alle publicaties, of de doelgroep nou klein of groot is, intellectueel of ongeschoold, reeds ingewijd of helemaal niet.

Wetenschappelijke stukken worden alleen door mede-wetenschappers beoordeeld en goedgekeurd, om voor de hand liggende redenen, voordat ze wereldkundig gemaakt worden. Maar de wetenschappelijk onderzoekswereld heeft last van een hoop problemen. Feiten worden door het grote publiek als meningen of zelfs nepfeiten beschouwd, er is grote publicatiedruk maar te weinig tijd voor alle vereiste peer-reviewlezingen en er zijn te veel flexwerkers waardoor continuïteit, waarborgen van kennis en kwaliteitsborging onder grote druk staan, om een paar belangrijke te noemen. Daarnaast bestaat er maatschappelijke behoefte om meer wetenschappelijk onderzoek in het onderwijs te laten doordringen en om het grote publiek vertrouwder te maken met de regels die voor wetenschap gelden, waardoor inzichtelijker wordt wanneer je iets moet geloven en wanneer niet.

Nu heeft de moderne docent een groot gebrek aan extra tijd, maar sommigen hebben desondanks ook een grote behoefte aan meer kennis over de ontwikkelingen in het eigen vakgebied. En door bezig te zijn met die nieuwe inzichten raken je lessen, in mijn geval ten minste wel, geïnspireerder en actueler waarbij de leerling ook meteen een beter beeld krijgt van waarom iets geleerd moet worden en wat je zoal met die kennis kunt doen. Dus zou het geweldig zijn wanneer artikelen die nog voorgelezen moeten worden online verschijnen, waarbij lezerstoegang minimaal mogelijk is voor wetenschappers en docenten, zodat wie in het onderwerp geschoold en/of geïnteresseerd is commentaar kan leveren waar de schrijver dan weer zijn voordeel mee kan doen en inhoudelijk betere maar ook nog beter leesbare stukken produceert (niet dat ik kritiek heb, want ik ken ze domweg niet). De commentator weet zo wat leeft en speelt, het grotere publiek (dan die paar mede-wetenschappers) kijkt mee met het spel van creëren en doorlaten van feiten en docenten worden behoed voor algehele intellectuele verveling. Want laten we wel wezen; voor wie wil blijven leren biedt het onderwijs op de langere termijn niet erg veel uitdaging.

34. De magische wereld die onderwijs heet

Afgelopen week kwam in Trouw, het artikeltje heb ik helaas allang weggegooid, weer eens ter sprake dat volgens sommigen het ontslagrecht nog meer versoepeld moet worden. Voor het vo-onderwijs krijg je dan een versneld afspelen van het po-scenario. In het po (primair onderwijs, dus kleuter- en basisscholen) worden leerkrachten die tijdelijk niet kunnen werken vervangen door leerkrachten die via uitzendorganisaties worden geleverd; 20 - 30% duurder dan een vaste kracht (de reguliere invalbronnen zijn grotendeels weggelopen). Eenmalig een tijdelijke oplossing die iets duurder is zal niemand de kop kosten, maar het is niet tijdelijk en niet eenmalig, dus structureel veel duurder en er is al te weinig budget. Omdat de afgelopen jaren vaste contracten uit de begroting werden geschrapt als zijnde “te duur”. Oftewel: penny-wise-pound-foolish, want goedkoop is duurkoop en dan heb ik het nog niet eens over de concessies aan kwaliteit en het laten weglopen van expertise en investeringen.

In het vo (middelbare scholen) gaat het dezelfde kant op. Behalve dan dat je niet alleen duurder bent als tijdelijk ingevlogen kracht, maar ook geen taken hoeft te doen. Die taken zijn een heikel punt. Iedere docent in een school moet een deel van het werk rondom het onderwijs, achter de schermen, op zich nemen. Officieel wordt je daar voor betaald, maar hoeveel uur een taak kost is een schatting die er regelmatig flink naast zit en er moet op het oog beoordeeld worden hoeveel eenieder er nog bij kan hebben. En daar komt een stukje werkdruk om de hoek kijken dat nauwelijks als zodanig wordt herkend: omdat je als docent hart voor je school en je project (taak) hebt loop je niet de kantjes er af, je doet niet alsof je veel meer uren er in stopt dan waar is en je eigen tijd gaat er meestal gratis bij in. Als je dan toch niet met je haren in de fik rondrent of er met een oogopslag bijloopt die zegt: “nog een klein duwtje en ik ga om” krijg je nog meer taken, want er moet veel meer worden gedaan dan dat er mankracht en geld voor is. Want scholen krijgen een budget dat gebaseerd is op het oude lesgeven met veel minder eisen en verantwoordelijkheden. Met de jaren kwamen er dus steeds meer harde eisen bij waar ze ook genadeloos op afgerekend en vervolgens mee aan de schandpaal (de landelijke pers) genageld worden, maar ze kregen niet de middelen om die nieuwe eisen en verantwoordelijkheden mee te realiseren. Ik denk dan aan alle buitenlandreizen, projecten, leerlingbegeleiding, persoonlijke mentoraten, verantwoordelijk zijn voor het signaleren van alle soorten van misstanden thuis of individuele problemen, om maar iets te noemen. Door steeds minder vaste krachten in dienst te nemen en meer flexwerkers te creëren blijven er dus minder mensen over voor al dat werk achter de schermen dat nu al de beschikbare capaciteiten overstijgt. Dus ga vooral meer flexwerk creëren; GOED BEZIG!

In het onderwijs wordt alles met een toverstokje geregeld: we zeggen dat iets vanaf nu moet gebeuren, dat het voortaan een taak of een verantwoordelijkheid van de scholen is of leerlingen uit bijzonder onderwijs weer in de de, reeds te grote, klassen plaatsen. Dan zwaaien we vervolgens met zo’n mooi paars stokje met glitters drie keer in het rond, al mompelend “Simsalabim hocus pocus pilatus pas, dit gaat helemaal goed komen…”. En dan komt het helemaal goed. Welkom in de magische wereld die onderwijs heet! Waar iedere werknemer niet een mens maar zo’n cartoon-figuur is: na elke blow deukt het figuurtje spontaan weer uit en gaat verder alsof er niets is gebeurd. De magie van immuun zijn voor alles wat je over je heen krijgt! Als we daar niet trots op kunnen zijn dan weet ik het niet meer.

33. Dialoog of conflict?

In ‘Schoolleiders hebben schoon genoeg van bemoeizuchtige ouders’ in Trouw van 15 juli 2017 beweert Peter Hulsen: “Ouderbemoeienis is niet een beweging van buiten waar leerkrachten slachtoffer van zijn.’ Nee, ouders zijn niet “een beweging” en de meesten zijn gelukkig normaal denkende en fatsoenlijk opererende mensen die samen met de school de leeromstandigheden van hun kind willen verbeteren of bijsturen. De ouders die een groeiende bron van stress en irritatie voor leerkrachten, docenten en schoolleiding vormen zijn degenen die ongenood de school en je les in komen lopen. Dat doen ze soms, niet te geloven! Die met hun lichaam, taal en/of juridische stappen dreigen voor het geval dat jij het in je hoofd haalt om hen niet ogenblikkelijk te gehoorzamen. (En binnenkort krijgen ze er nog een leuk extra wapenstokje bij: dat vervloekte register.) Deze ouders zijn volledig overtuigd van het eigen gelijk, het eigen slachtofferschap en het “recht om hun mening in elke denkbare vorm op te dringen” zonder de verplichting van binnen de fatsoensnormen te blijven, de gesprekspartner als mens te bejegenen of zelfs maar te proberen de motieven van de ander te begrijpen; ze willen niet eens luisteren.

Nee, het betreft hier zeker geen beweging. En hoewel ik als docent deze onaangename kant van het ouderlijk opkomen voor het eigen kroost bij tijden als zeer belastend heb ervaren ken ik ook de andere kant. Sinds mijn eigen kinderen het onderwijs als leerling ingingen heb ik ook frustraties, boosheid en onmacht gevoeld wanneer ik dacht dat mijn kind niet begrepen, ondergewaardeerd of onterecht behandeld werd. Het gaat over je kind: je ziet kansen verdwijnen en problemen ontstaan. Met je kind gaat het steeds slechter en je kunt daar niets tegen doen. Dat is vreselijk.

Veel conflicten tussen ouders en scholen kunnen onderling opgelost worden met goede communicatie. Dat gebeurt vaak al vanzelf, maar wanneer dat niet zo is ontstaat er een sfeer van wederzijds wantrouwen en horen beide partijen niet echt meer wat de ander zegt. Het kind is dan de dupe.

Een oplossing is wanneer de boze ouder zich als regel in eerste (en tweede, en desnoods derde…) instantie tot de docent in kwestie richt wanneer er iets niet goed gaat. Het roept flink wrevel bij lesgevers op wanneer de ouder zich direct tot mentor, teamleider of zelfs directie richt voor kwesties die prima met een korte toelichting opgelost hadden kunnen worden. De communicatie wordt direct moeizamer. Daarnaast is communicatie met verzorgers een (in mijn ervaring) onderbelicht aspect in lerarenopleidingen; met wat meer empathie en inzicht in de drijfveren en reacties van ouders kun je gesprekken beter sturen. En dan zijn er nog veel problemen die ook met communicatie niet opgelost kunnen worden maar die vereisen dat we ons onderwijs minder richten op die leerling die wel in onze onderwijsmal past. Iedereen die niet past valt buiten de boot, met verregaande maatschappelijke gevolgen in de toekomst van de leerling en verlies van talent voor de samenleving. De zorgen van sommige ouders zijn beslist reëel en wij van onderwijsland moeten daar iets mee. De vraag is alleen: hoe?

32. Oeps! Bezuiniging slaat keihard terug!

Toen, circa tien jaar geleden nog maar, in de oneindige wijsheid van de onderwijsbeleidsmakers besloten werd om kinderen die alleen in speciaal onderwijs tot hun recht kunnen komen voortaan toch maar weer te plaatsen in het regulier onderwijs wist iedereen officieus allang dat het een bezuinigingsmaatregel was die niets met onderwijskwaliteit voor wie dan ook te maken had. Noch de kinderen die het niet redden in regulier onderwijs, noch de klasgenootjes die geacht werden het betreffende kind “mee te nemen” in cognitief en sociaal opzicht, noch de docent die lessen voorbereidt voor een doelgroep op een bepaald niveau en daar niet uit haalt wat er in had kunnen zitten omdat het toegevoegde kind een dominant stempel drukt op het leerproces van de hele groep. Docenten wisten dit van tevoren al, hebben ook gewaarschuwd en wat gebeurt er vervolgens? Ze krijgen van de praktijk gelijk, waarna ze door de beleidsmakers worden weggezet als incompetent, onder andere. En dan heb ik het er nog niet eens over dat die kinderen, die bij voorbeeld meer dan gemiddeld veel aandacht nodig hebben of een bijzondere aanpak van specialisten vanwege hun ‘bijzondere’ gedrag vereisen, bij docenten zijn geplaatst die daar niet de opleiding voor hadden (hebben?) maar wel “gewoon door moeten gaan” en resultaten leveren die van hogerhand worden geëist. Maar wat die scholing betreft: dat is helemaal goed gekomen hoor; je kunt nu als docent kiezen voor een kort aanvullend cursusje waarin een paar uurtjes gediscussieerd wordt over die zorgkinderen, je krijgt wat tips mee en jij kan weer verder met je lesjes! En de bonus: het gaat je lerarenregister in! Ja! Dat gedrocht is er ook nog steeds en het komt met bedreigend rasse schreden dichter bij de verplichte status. Boffen wij even.

Echter, ieder van de betrokkenen is hier dus jarenlang de dupe van geworden, maar er gloort hoop. De onderwijsraad waarschuwt in ‘Zet de leerling niet altijd centraal’ in Trouw van 5 juli 2017 voor de maatschappelijke gevolgen van deze buitengewoon foute ingreep. Eindelijk het juiste stemgeluid uit de juiste hoek.

Alleen wordt er in het betreffende artikel ook beweerd dat bij voorbeeld leerlingen die als eenling graag op een ipad werken tussen leerlingen die dat verder allemaal niet doen geen aansluiting zouden hebben met de rest van de groep. Ja maar… we denken wel dat mavoleerlingen uitstekend gemixt (schijnen te) kunnen worden met vwo-leerlingen en dat het voor beide groepen goed is als ze jarenlang de hele dag elke dag met elkaar in een ruimte met elkaar opgescheept zitten. Dat doen we al op de basisschool en daar zien we hoe kinderen in de twee uiterste groepen lijden onder die situatie omdat ze allebei (maar vooral vwo-kinderen) iets moeten doen wat niet bij ze past. En dan gaan we dat nu ook invoeren in het vo? Maar dat ter zijde: ik heb kinderen in mijn klassen die wegens gebroken arm, onleesbaar handschrift, dyslectie en noem het maar op, als eenling op een andere manier dezelfde les volgen, bij voorbeeld op een laptop of ipad. Ik heb nooit enige afzondering bemerkt. Ze kletsen, leren en werken even hard met de rest van de groep mee. Wat een onzinstelling!

Even verderop staat “…, maar het advies van de leerkracht in groep 8 de doorslag geeft voor de overstap naar een middelbare school”. Eenmaal op de middelbare school blijkt op rapportvergaderingen te vaak dat de cito-indicatie een betere voorspeller blijkt te zijn en ik verklaar dat als volgt. De cito-toets en het eindexamen komen uit dezelfde bron, dus die cito-toets test al op de eigenschappen/vaardigheden die een paar jaar later doorslaggevend worden voor het behalen van een vo-diploma. Op middelbare scholen wordt, als het goede scholen betreft (mijn persoonlijke mening) tweedegraders ook af en toe een bovenbouwklas gegund om ze te laten zien wat er in de bovenbouw van leerlingen in hun vak gevraagd gaat worden en welke basis die kinderen daarvoor van jou in de onderbouw mee moeten krijgen. Maar po-leerkrachten krijgen die ‘scholing’ niet en ik betwijfel (maar corrigeer me alstublieft wanneer ik dit mis heb) dat de pabo daar adequaat in opleidt. Ik vraag mij dus af hoe je slimme en hoogbegaafde leerlingen als zodanig herkent wanneer je nooit geleerd hebt hoe je die eruit pikt en wat die nodig hebben. Kijk naar een willekeurig TED-filmpje over hoogbegaafdheid en het blijkt dat veel van dergelijke kinderen het mavo-stempel krijgen en daar ook eindigen (tijdelijk dan wel definitief).

We kunnen dus eindeloos blijven discussiëren over de juiste lesvorm, maar de randvoorwaarden moeten wel goed zijn en dat zijn ze, helaas, bepaald niet. En dat is deels een geldkwestie en deels onvakkundige organisatie. Hoe heeft het zo ver kunnen komen met Neerlands paradepaardje?

31. Hoogleraar abuis?

Goed nieuws, tijd voor een feestje! In ‘Gelijke kansen? Vooral het bevoorrechte kind profiteert’ van Trouw op 24 juni 2017 lees ik dat hoogbegaafde kinderen tegenwoordig wel passend onderwijs krijgen! Alleen; waar dan? Hoe dan? Door wie dan? Wanneer is dat tot stand gekomen? Hoe heb ik dat kunnen missen? Maar … de arme achtergestelde kindjes worden verwaarloosd! Waar of wanneer heeft de bron van dit artikel, hoogleraar Denessen, deze indrukken opgedaan? Want volgens mij is al sinds jaar en dag breeduit bekend dat er juist in de kansarmere kinderen, die hun achtergrond en/of thuissituatie niet mee hebben, erg veel geld en energie wordt gestoken, maar dat er voor de hoogbegaafde kinderen en kinderen met talenten die niet talig of rekenkundig zijn nu juist nog steeds nauwelijks onderwijsaanbod is!

Volgens mijn eigen ervaringen met basisonderwijs gaat het bij voorbeeld zo met kinderen die goed kunnen rekenen: zij krijgen verdiepingsstof, maar als zij daar dan hulp bij nodig hebben moeten ze er weer mee stoppen, want als ze er zelf niet uit komen dan zijn ze toch niet zo goed als we dachten! De juf geeft, heel terecht, uitleg aan ‘kansarmen’, want die hebben die uitleg nodig. Slimme kinderen niet, want die zijn al slim dus die moeten zichzelf maar helpen. Bovendien, de juf weet vaak zelf ook niet zo goed hoe die moeilijkere verdiepingssommen moeten dus kan ze niet eens daar bij helpen. Want onze PABO-opleidingen, die volgens de basisschoolleerkrachten inhoudelijk en qua tijdsduur gelijkwaardig zouden zijn aan de opeidingen die vo-docenten moeten volgen, voorzien niet in rekenonderwijs waarmee je de slimste kinderen kunt begeleiden omdat een mager havo-zesje genoeg selectie moet zijn voor onze aankomende PO-juffenen -meesters. Sinds wanneer is twee jaar PABO vergelijkbaar met drie jaar een vo-schoolvak? Twee verschillende basisschoolleerkrachten hebben dit aan mijn leerlingen verteld toen die daar stage liepen. Vreemd. Want aan de zwaarte van PO-werk en het belang ervan doe ik absoluut niets af, dat is juist een motivatie om die voorbereidende opleiding (PABO) te verbeteren!

Verder wordt er gesuggereerd dat onze leerlingen al vroeg geselecteerd worden. Ja, het klopt dat we dat proberen. En nee, ondanks vereende krachten blijf je houden dat kinderen die slim zijn in bepaalde gebieden maar niet in andere op het niveau van de zwakste talenten worden gezet. Een manier om alle kinderen recht te doen is ze onderwijs aanbieden op het juiste niveau van elk apart vak, dus diploma’s per vak. Daarvoor is het noodzakelijk dat uitgevers van leermaterialen stoppen met voor elk beetje leerstof voor elke docent apart de kassa te laten rinkelen. Als docent kun je onmogelijk onderwijs op maat bieden wanneer je voortdurend misgrijpt als je materiaal op maat nodig hebt. In de huidige setting is dat veel te duur en het onderwijs is al failliet zoals het is.

Omdat dit in onze marktminnende samenleving een volslagen kansloze wens is kan optie twee misschien de oplossing bieden: maak van de kernvakken wiskunde, Nederlands en Engels vakken die wel gevolgd moeten worden totdat het diploma is behaald, maar dan met een aftekening in plaats van een beoordeling: “heeft netjes een week in Engeland zich kunnen redden met boodschappen doen en solliciteren”. Een soort projectweek dus (direct na de examens) waarin ze vaardigheden uit Engels, Nederlands en wiskunde in de praktijk hebben moeten brengen en dat hebben ze gered. Zo, klaar. Geen cijfers, geen be- of veroordeling, maar een soort brevet dat zegt: jij bent er klaar voor om je straks te redden, in binnen- en buitenland!

Dit is maar een ruw idee, met het nodige polijsten en ombouwen kan er vast een werkbaar idee van worden gemaakt. Of we maken alle leermiddelen voor basis- en middelbaar onderwijs gratis beschikbaar voor docenten en bieden echt onderwijs op maat aan. Weet je ook meteen waar al dat geld naartoe gaat.

30. Sommigen zijn toch gelijker dan anderen

'... weigerambtenaren is aangedaan' in een lezersreactie van Trouw op 19 juni 2017 suggereert hier dat het heel erg is dat een ambtenaar die iemand niet wil trouwen omdat dat tegen de eigen geloofsovertuiging ingaat daarvoor ontslagen is. Je wordt betaald om mensen te trouwen en dan ga jij je persoonlijke oordeel daar in meenemen? Jij gaat wel even bepalen of ze dat van jou ook mogen? En je weigert domweg om je werk te doen wanneer het je niet zint om twee homo's in de echt te verenigen? En dan ben je zielig omdat je niet het recht hebt om iedereen jouw mening en wil op te leggen want jij vindt jezelf boven de juridische en de menselijke wet (allemaal gelijkwaardig, toch?) verheven? Van de pot gerukt, dat je voor deze "godheid" sympathie zou moeten opbrengen omdat hij zijn zelf opgelegde godschap niet kan uitleven en terecht uit zijn baan is gemieterd.

Maar wat schetst mijn verbazing als ik in "Witte homo's hekelen nieuwe regenboogvlag" van Trouw op 22 juni 2017 lees dat de witte homo's de bruine en zwarte homo's niet in hun vlag gerepresenteerd wensen te hebben! Dan weet je uit eigen ervaring hoe afschuwelijk het is om niet geaccepteerd te worden om wie, hoe of wat je bent maar je doet precies hetzelfde bij een ander! Nu is dit maar een voorbeeld, het is geen geheim dat binnen alle rangen en standen van elke samenleving gediscrimineerd wordt op alle factoren die je maar bedenken kunt: de ene kleur (huids-/politieke) de andere en bij dezelfde kleur het land van afkomst, de religie, sexe en wat al dies meer zij. Een willekeurig dorp heeft geen grotere vijand dan het naburige dorp!

Discriminatie en racisme zitten in onze genen; ik denk dat iedereen zich er wel eens schuldig aan maakt, de een meer dan de ander, maar toch. Er zit maar een ding op: voortaan eisen we gelijke rechten (en plichten!) voor iedereen op, en niet alleen voor het eigen bubbeltje waar we toevallig toe behoren, wanneer we ergens discriminatie bespeuren. En stiekem vraag ik me dan af: hoeveel mensen denken nu bij zichzelf "ja, maar voor die-en-die ga ik me echt niet solidair opstellen hoor, kom nou!"

29. Droom je dromen waar!

Als er iemand in het verkeer verongelukt onderzoekt de politie altijd wie er verantwoordelijk voor was dat het mis ging. Er moet verklaard worden waarom deze slachtoffers konden vallen en wie daarbij de fout in is gegaan. Vaak is de verklaring een te hoog alcoholpromillage. Wanneer dit feit bij je geconstateerd wordt ben je zuur, want aan de strafrechtelijke gevolgen zal je niet meer ontkomen. En terecht.

Maar Amerikaans onderzoek heeft uitgewezen dat slaapgebrek weliswaar geen dronkenschap oplevert maar wel degelijk andere effecten vertoont die we ook bij dronkenschap tegenkomen. Denk daarbij aan vertraagd reactievermogen, verlaagde alertheid en minder zicht (je kijkt wel maar je ziet niet). In een TED-talk vertelt Wendy Troxel dat als je in een nacht vijf uur of minder aan slaap krijgt je brein reageert alsof je alcoholpromillage boven het wettelijk toegestane niveau ligt, ’s morgens vroeg op je nuchtere maag en, uiteraard, zonder alcohol genuttigd te hebben!

Helaas is deze mentale staat niet alleen de praktijk voor veel vrouwen die productief en efficient zijn in het hogere beroepssegment; deze vrouwen zouden het nog beter doen als ze wel voldoende slaap kregen. Zoals Ariana Huffington het op een andere TED-talk zei: “wij vrouwen zouden letterlijk onze weg naar de top slapend kunnen en moeten bereiken” (met een knipoog naar dat slapen, natuurlijk, ze bedoelt vanzelfsprekend letterlijk slapen).

Nee, ook tieners lijden verschrikkelijk onder het vroege tijdstip waarop zij moeten opstaan om op tijd op school te zijn. Ze worden dan, gedwongen, wakker uit een belangrijke slaapfase die ervoor moet zorgen dat ze beter kunnen leren, onthouden, begrijpen en functioneren. Die onderbreking van die oh zo belangrijke fase maakt dat ze hun beruchte nurksigheid, chagrijn en onbehouwen gedrag vertonen. Natuurlijk zou het fijn zijn voor al die ouders, veel docenten en anderen in hun omgeving wanneer tieners zich minder “als een tiener” zouden gedragen, maar wat veel erger is is dat zij niet de prestaties kunnen leveren die we vaak wel bij ze vermoeden: “Het komt er gewoon niet uit…!”

Is het een idee om scholen twee uur later te laten beginnen, desnoods eerst bij een paar als experiment? Wie kan daar voor zorgen? Want dan hebben al die leuke lessen en al die uitgekiende leermethodes vast veel meer effect.

Zou het daarbij niet ook strafbaar moeten worden om niet-uitgeslapen kinderen toch naar school te sturen?

28. Ik schreeuw, dus ik besta!

Het lijkt wel alsof ieders recht op vrijheid van meningsuiting niet zozeer een recht alswel een plicht is geworden: ik heb een mening en die moet verplicht door iedereen gehoord worden. Vooral reaguurders zijn daarin verschrikkelijk. Ze hebben feitelijk niet zo veel te melden (doen dat in elk geval niet) maar moeten alleen even een negatief gevoel kwijt, zo komt het op mij over.

In de Trouw van 27-5-2017 schreef Ephimenco tot mijn afschuw over sommige reacties die hij krijgt van lezers, gewoon gepubliceerd op de facebookpagina van Trouw zelf. Wat ik niet begrijp is hoe iemand enerzijds vindt zelf recht op meningsuiting te hebben (heeft-ie ook) maar terwijl hij die mening geeft oproept de ander (Ephimenco in dit geval) monddood te maken, zelfs met fikse bedreigende taal. Gaat het hier nog om een mening? Of is er sprake van een uitlaatklep voor geweld bij gebrek aan andere manieren om van je frustraties af te komen?

Als ik uit ga van het laatste dan heeft de nieuwe regering er, wat mij betreft, een nieuwe opdracht bij: regel een gratis sportkaart voor iedere onverlaat die zich verbaal misdraagt. We krijgen nu toch uitgebreidere ICT-onderzoeksdiensten; maak identificatie van online berichten wettelijk verplicht makkelijker zodat digitaal je mening spuwen niet meer zo anoniem is. Dat verhoogt de drempel om helemaal los te gaan in een scheld- en dreigpartij al enigszins. En voor de types die niet eens door hebben wat ze iemand allemaal niet toewensen, neem bij voorbeeld de verbaasde reacties van de aangeklaagde reaguurders in Sylvana Simons rechtszaak, dient de rechter een verplichte aanschaf voor een regelmatig bezoek aan een sportschool om de hoek op te leggen. Dan is er een uitlaatklep voor al die onderdrukte woede en komt die hopelijk niet meer terecht bij mensen die alleen maar hun mening geven.

Als tweede actie voor de nieuwe regering stel ik een verfijning van het meningsuitingsrecht voor: iedereen die zich publiekelijk uit of wil reageren op andermans uitspraken doet dat met neutrale bewoordingen en in een opbouwende toon. Denken staat iedereen vrij, je mening geven ook, maar wel binnen een dialoog. Vind je iemands column niet goed? Lees hem dan niet of schrijf op waarom je dat vindt in plaats van bagger te spuien. Een bedreigende sfeer maakt dat mensen feitelijk het recht ontnomen wordt om nog zijn of haar mening te geven. Want ook al sta je wettelijk in je recht om te zeggen en schrijven wat je wilt, moet elke mening, waarover dan ook, echt met zoveel agressie afgestraft worden? Ik vind dit een aantasting van de vrijheid van meningsuiting van iedereen die een mening durft te formuleren.

27. Het keurslijf geknecht

In de clip van Pink Floyds magistrale nummer Another brick in the wall komt de leraar er niet goed vanaf; hij is een oneerlijke sadist. In vervlogen jaren had de leraar dan ook erg veel macht en werd hij hoegenaamd niet gecontroleerd. Hij oordeelde in zijn eentje over zijn leerlingen met de zeer beperkte middelen die hij had en menig individu heeft daar zwaar onder geleden. Terecht is aan deze situatie een eind gekomen, maar we hebben nog altijd mensen in onze samenleving, jong en oud, die getekend zijn door ons onderwijs. En niet op de goede manier.

Mijn werkervaring heeft mij wellicht een gekleurde blik gegeven waardoor ik subjectief kijk met onvolledige gegevens om over na te denken, maar wat ik zie is scholen die zuchten in hun keurslijf, opgelegd door goedbedoelde maar kostbare wetgeving met regels die alle kinderen dezelfde kansen moeten bieden en tegelijk beschermen moeten tegen alle problemen die ze tegenkomen (en waar de school ook iets mee moet). Bij de wetgeving hoort een financiering van scholen die niet alleen best wel een beetje vreemd is, maar ook voor veel problemen zorgt.

Neem nou die 2,4 miljard die “zoek” is en waardoor nu geroepen wordt dat scholen voortaan elke cent die ze besteden moeten verantwoorden, want het is publieksgeld. Klinkt zo plausibel en toch krijg ik er nu al buikpijn van. Een van de eigenaardigheden van de financiering van scholen is dat de hoeveelheid geld die ze jaarlijks ontvangen afhankelijk is van een leerlingaantal dat meestal niet overeen komt met het actuele aantal leerlingen waar de zeer reële kosten van moeten worden betaald. Verder worden er aan scholen bijzonder veel eisen gesteld (verplichte aanpassingen aan het gebouw dat misschien wel een monument is voor het geval dat een leerling met rolstoel daar les wil krijgen tot aan allerlei soorten van zorg, educatie en opvoeding, van autisme tot burgerschap en van gedifferentieerd les ontvangen tot speciaal onderwijs voor de leerling die eerst moet falen voordat hij naar het passender onderwijs mag en ondertussen de lessen voor de hele groep zwaar onder druk weet te zetten). Maar een vergoeding zal in het beste geval achteraf komen en dan zeker weten niet dekkend zijn, want allerlei andere verborgen kosten, zoals overspannen leraren en kinderen op de verkeerde plek door al die ruis, worden niet in die rekening meegenomen. Van bovenaf wordt bepaald, vervolgens voeren de scholen het uit, en dan is ten slotte de vraag of “we” nog uit gaan komen met de centen. Nee dus.

Is het een idee om van tevoren een reële inschatting te maken van kosten die de volgende maatregel of het nieuwe schooljaar zal eisen, zoals ze dat ook in het bedrijfsleven al jaren doen (dat moet toch aanspreken!)? Dat je daarin ook voorziet in reële salarissen die passen bij opleidings- en ervaringsniveau, dat je als school je personeel geen verborgen taken hoeft af te dwingen voor werk dat absoluut moet gebeuren om aan alle wet- en regelgeving te voldoen maar dat helemaal niks mag kosten en al helemaal niet de echte prijs. Wat een armoede!

En dan vragen ze zich af waar die “zogenaamde” werkdruk dan vandaan komt waar docenten over  klagen en die ook allang valide is bevonden. Pak eerst die financiering eens aan, daar klopt een hoop niet.

En die 2,4 miljard? Versnipperd over alle posten waar chronisch te weinig geld is om te kunnen doen wat nodig en zelfs wettelijk verplicht is. Maar dat willen we niet zien. Dat is te duur. Dan liever nog meer administratie, nog meer werkdruk en daaruit voortvloeiende kosten, geen echte oplossingen en behoud van de huidige status quo. Mijn hoop is gevestigd op de nieuw te vormen regering, en niet alleen voor meer geld maar ook voor meer wijsheid en een beter financieringssysteem. Maar ik klamp me ook maar vast aan strohalmen.

26. Gezond: het nieuwe ziek!

“Bijwerkingen komen altijd voor, elk middel heeft voor- en nadelen (…)” aldus de heer Oosterhoff in ‘Psychiater: niet hijgerig doen over psychofarmaca’ in Trouw van 29 april 2017. Hoezo hijgerig? Bedoeld deze psychiater misschien overbezorgd, verontrust, gealarmeerd of negatief? Ben je hijgerig als je vraagtekens zet bij het gebruik van medicatie als je helemaal niet ziek bent? Want dat is tegenwoordig wel normaal; je hoeft niet ziek te zijn om beter te worden! Dat werd ooit door een van mijn vorige directeuren gezegd over onderwijs en personeel, maar dat geldt nu dus klaarblijkelijk ook voor je gezondheid. Heb je helemaal niks? Voel je je uitstekend? Dan gauw naar de dokter, want je weet maar nooit! Suggestie: waarom niet alle vrouwen twee keer per jaar een zwangerschapstest, van 14 tot 64 jaar, standaard geregeld en natuurlijk vergoed in de basisverzekering, dat is goed voor de kassa! Nog nooit of in geen jaren meer seks gehad? Ga toch maar, baadt het niet dan schaadt het ook niet! Oh wacht, geen goed voorbeeld: zwangerschapstesten hebben geen bijwerkingen.

In mijn klassen zitten kinderen die regelmatig hun pilletjes moeten nemen. Als ze dat niet doen dan kunnen ze zich onvoldoende concentreren. Maar als ze die pillen slikken dan krijgen ze klachten zoals “dan ben ik mezelf niet meer”. Dat is toch erg, dat je in een  systeem gepropt wordt dat niet bij je past en dat je medicijnen moet slikken om de rit uit te kunnen zitten, ook al omdat er geen alternatief onderwijs (meer) is waarmee je later ook nog goed in de maatschappij kunt landen. En dan zijn pillen, met al hun nadelen en bijwerkingen, de oplossing? De enige?

Volgens mij moeten we veel kritischer worden op die ontzettend foute berichtgeving van farmacie minnende kopstukken zoals de heer Oosterhoff, die alleen maar rijker worden als wij: meer nodeloos onze gezondheid testen (net als de auto de jaarlijkse onderhoudsbeurt!), alleen pillen als mogelijke oplossing voor alles zien, ons niet willen realiseren dat de bijwerkingen er altijd zijn en die op lange termijn schadelijk kunnen zijn, geen enkel pijntje meer wensen te verdragen (wat een illusie is, die hoofdpijnrommel werkt bij mij bij voorbeeld totaal niet) en we niet meer zelf willen nadenken over misschien een verandering van eet-, slaap- of leefgedrag, ik noem maar een paar open deuren?

Weg met de pillen, tenzij je leven er van hangt. We hebben andere, betere oplossingen nodig.

25. Kennis versus conformeren

Jippie: weer een nieuw vak, handvaardigheid dit keer! Ik weet nog dat ik als dertienjarige in mijn drukke klas in een groep bij elkaar stond voor de instructies. Ik verstond er weinig van want om mij heen werd druk gepraat en het ging over verfkleuren, totaal niet interessant dus. Ineens bleek iedereen aan de gang te gaan, ik kreeg een blaadje met een paar vakjes onder elkaar en ernaast woorden als “rood”, “blauw”, enz. Mijn klasgenoten begonnen met verf de vakjes in te kleuren, dus dat deed ik ook maar. Alleen vond ik het dusdanig stompzinnig dat ik geen enkele moeite deed om binnen de lijntjes te blijven, wat achteraf wel de bedoeling bleek te zijn. Sterker nog: ik werd hier getest op het vermogen om binnen de lijntjes te kunnen verven! Was dat niet allang op de kleuterschool afgevinkt? Misschien was dit zelfs wel een multifunctionele opdracht: ik werd wellicht ook getest op ‘oplettend de instructies kunnen volgen’, ‘woorden kunnen lezen en interpreteren’, ‘diagnose op kleurenblindheid’ en ‘kleuren leren maken en benoemen’. Het bleek te gaan om het verven binnen de lijntjes: daar had ik onvoldoende aan voldaan dus ik kreeg  een vijf op mijn rapport. Voor handvaardigheid. Vanwege dat stomme blaadje. En het mocht niet over, het cijfer was ook meteen een straf: volgende keer wel goed luisteren, wel je best doen en alles wat de docent je laat doen serieus nemen. Had je ze thuis moeten horen toen ik ’s avonds mijn rapport liet zien, wat hebben ze gelachen!

In het onderwijs wordt je niet alleen onderwezen in kennis, vaardigheden en emotionele ontwikkeling; je leert ook je te voegen naar autoriteit. Op zichzelf is het belangrijk dat je in staat bent om je woorden in te slikken wanneer je meerdere of een autoriteit (docent, werkgever, inspecteur, politieagent, enz.) jou een onprettige boodschap brengt. Het maakt dat we een samenleving kunnen vormen waarbij we met respect voor elkaar ieder onze dingen doen, omdat we allemaal naar dezelfde regels leven en dat ook van elkaar mogen verwachten wanneer dat toch een keer niet gebeurt. Maar, zoals bij alles, moet je daar niet in doorschieten. Enige kritiek op wat je gezegd wordt, wat er van je verwacht wordt, is ook een eis. Die komt voort uit jouw verantwoordelijkheid voor eigen daden. Wie opdracht krijgt iets te doen dat tegen de wet is kan zich naderhand niet alleen beroepen op het opvolgen van opdrachten, dat wordt niet zo maar gepikt.

Hier zit een spanningsveld dat ook in de dagelijkse praktijk van het onderwijs voelbaar is. Want leerlingen hebben niet jouw achterliggende doelen in hun hoofd wanneer ze een opdracht krijgen. Ze kijken daar soms heel anders tegen aan en niet per se op een foute manier, het is alleen anders dan wat de docent had beoogd met de opdracht. Het is nu aan de docent om in te zien dat er meerdere wegen naar Rome leiden en dat kinderen de creativiteit hebben om die wegen ook te vinden! En dat wij docenten dat ook zouden moeten stimuleren omdat onze maatschappij dat denkvermogen nodig heeft om zich aan nieuwe omstandigheden te kunnen aanpassen. Maar uit mijn eigen ervaringen en die van mijn kinderen krijg ik het gevoel dat bij sommige collega’s kennisoverdracht en conformeren naar autoriteit onontwarbaar door elkaar heen lopen. En dat heeft voor de leerlingen die wat verder doordenken, voor degenen die de grenzen aan het opzoeken zijn en degenen die alles letterlijk nemen tot gevolg dat ze niet de stempels, predicaten en uiteindelijk zelfs diploma’s krijgen die ze eigenlijk hadden moeten hebben. We zouden kennis en aanpassingsvermogen meer moeten opsplitsen.

Of zal onze maatschappij dan imploderen?

24. Meten, meten, meten...NIET weten!

“Twee kinderen met dezelfde capaciteiten kunnen eindigen met verschillende diploma’s”! Klinkt bekend? Dat kan, het werd beweerd in ‘Verschillen tussen scholen zijn te groot, zegt inspectie’ in Trouw van donderdag 13 april. Mijn eerste gedachte is dan: ja en? Denkt de inspectie echt dat capaciteiten de enige factor van invloed zijn op resultaten? Wat te denken van werkhouding, thuissituatie, innerlijke motivatie, lol in leren, karakter enz.? Ik krijg al bijna elf jaar lang klassen leerlingen voor mijn neus geschoteld en in al die jaren ben ik er nog geen twee dezelfde tegen gekomen. Zelfs die eeneiige tweeling die ik nu in mijn klas heb kan op onderlinge verschillen worden betrapt, bij voorbeeld een verschil in schoolresultaten; de een is iets sterker dan de ander in de meeste vakken, maar dat is weer andersom voor mijn vak! Wel een beetje vreemd dat de onderwijsinspectie, die boven het onderwijs staat en die zelfs aanstuurt, dit niet lijkt te weten?? Maar wel zich verbazen als er verschillen geconstateerd worden. Dat moet in de krant!

Ook vreemd vind ik het dat scholen jaren geleden zich van hogerhand dienden te gaan profileren ten einde de nieuwe leerlingaanwas te “verdienen” door zich te onderscheiden in z’n onderwijsaanbod en onderwijskwaliteit. Zijn scholen bedrijven? En onderwijskwaliteit: wat valt daar dan onder? Is dat pedagogische kwaliteit waardoor kinderen durven leren en hun nek uit te steken? Of is dat de juiste balans in lessen en studietijd? Of anders het aanbieden van extra vakken die kinderen met bijzondere talenten kunnen uitdagen, denk aan science-, sport- en cultuurklassen? Of besluiten we nu dat alleen eerstegraders goed les kunnen geven want die staan kilometers boven de stof en didactische vaardigheden, de grote kracht van erg veel tweedegraders, hebben toch maar marginale invloed? Volgens de inspectie dan, he! Maar intussen wel afkeuren dat er verschillen zijn en daar zeer kort door de bocht mee omgaan.

Wanneer gaat de inspectie stoppen met het onderwijs te behandelen als een bedrijf met een product waar zogenaamd objectief wordt gemeten? Waar rendementsdenken het onderwijsproces verstikt, verstoort of onmogelijk maakt? Hoeveel leerlingen zijn er niet de dupe van die afschuwelijke marktredenering waardoor het onderwijs dat ze hadden moeten krijgen niet gegeven kan worden omdat de inspectie niet de mens achter de cijfers ziet maar wel ingrijpt met contra-productieve maatregelen? Laten we het daar eens over hebben.

23. En wie gaat dat betalen???

“Het is helemaal niet gek als ouders ook de schooltijden bespreekbaar maken.” In het artikel Schooltijden zijn onhandig, maar niemand klaagt erover in Trouw van 12 april 2017 lijkt een oproep te worden gedaan aan ouders om hun eigen privé-werksituatie in te zetten als legitiem argument om kinderen dagelijks langer op school te houden. “Veel ouders zouden willen dat de school les- of activiteitenaanbod heeft tot het einde van de middag”, aldus het eerder genoemde artikel, even verderop. Natuurlijk! School is er in de eerste plaats voor het gemak van ouders. Verder is de school eigenlijk die goedkope opvang waar ook nog eens de opvoeding van het eigen kroost door anderen gedaan kan worden, zodat er ’s avonds thuis een gezellig samenzijn kan plaatsvinden in plaats van dat vervelende confronterende opvoeden, dat de sfeer thuis maar verpest en verder toch niks oplevert. En als ze dan de deur uit gaan volgt er ook nog een diploma, daar zorgt de overheid wel voor.

Maar willen ouders dit echt? Of is het stiekem het alom aanwezige bedrijfsleven dat er stevig van baalt dat hun werknemers (lees: betaalde slaven) steeds maar zeuren dat ze vrij moeten hebben voor die eeuwige, zwaar overgewaardeerde en volstrekt overbodige zorgtaken. Het idee dat een ziek kind belangrijker zou zijn dan, bij voorbeeld, die vergadering nummer 33 over hoe het personeel gemotiveerder te krijgen want het lijkt wel alsof het dwingend opzadelen met al dan niet betaald extra werk niet helemaal goed valt. Als dus alle scholen voortaan het voorbeeld van het particulier onderwijs gaan volgen, waarbij we schooldagen van 8 tot 6 hebben, in de weekenden de leerlingen van 9 tot 12 terug laten komen omdat ze brutaal zijn geweest en er na een aantal jaren ineens ook nog een diploma wordt afgegeven dan hebben we het ideale ‘leefmodel voor de onmisbare executive met kinderen’. Krijgen al die managers eindelijk de kans om te doen waar alles om draait: allemaal terug de tredmolen in om geld te verdienen, collectief ons hoogste doel!

Laat ik dan gelijk nog maar even dit kleine, bescheiden ideetje lanceren, dan kan dat in een tegenreactie ook gelijk afgeschoten worden: als we voortaan eens alle gesprekken van ouders met lesgevers over de resultaten van het eigen kroost binnen de officiële kantooruren (9 tot 5) houden, in plaats van in de privé-tijd, ’s avonds, van de lesgevers (u weet wel, die luie uitvreters die ’s middags al helemaal klaar zijn met werken, die het allemaal niet zo goed snappen en die de hele godganse tijd met vakantie zijn, danwel weer een studiemiddag hebben. Maar wel de hele tijd zeuren, he!), dan laat je zien als maatschappij en bedrijfsleven dat je snapt dat kwaliteit beter is dan kwantiteit. Dat het niet gaat om hoeveel uren je iets doet maar wat de kwaliteit is van wat je in die tijd doet. En dat werknemers geen tweedimensionale poppetjes zijn maar mensen met een heel leven, met familie om zich heen, die meer eisen aan zich gesteld voelen dan alleen de heilige wensen en oprispingen van de manager van het moment.

Volgens mij moeten alle managers in het bedrijfsleven maar eens een keer op de cursus: “Hoe ga ik verantwoord om met mensen, mijn familie en mijn leefomgeving”. Ik ben het collegedictaat al aan het printen.

22. Ellek voordeel hep z'n...

Wat is dat toch irritant: heb je een keer een briljant idee, zit er weer een nadeel aan. Het was het eerste waar ik aan moest denken toen ik het artikel “De school zonder klassen” in Trouw van 4 april 2017 las. Daarin wordt een nieuwe, experimentele vorm van onderwijs ontwikkeld dat kinderen hun eigen ontwikkelplan laat opstellen en ze doet leren waar ze goed in zijn. Er wordt al vorm aan gegeven in de basisschoolleeftijd: leerlingen zonder klassen die zelf hun meubilair ontwerpen en zelf hun eigen leerstof, leertempo en einddoel bepalen. Geen druk van lesroosters, niet strak in het gareel en gelijkwaardige omgang met docenten; goed voor de creatieve geest en hoogbegaafde mensen. Ik denk dat een dergelijke vorm van onderwijs voor bepaalde kinderen het enige is dat werkt, maar ook dat het voor anderen kansen laat liggen.

Ik heb tijdens al mijn studies geleerd dat je bij sommige onderwerpen eerst door een taaie start van basiskennis heen moet, of dat je eerst een heel nieuwe manier van denken moet aanleren die soms echt heel ver van je af staat, voordat je het vak gaat overzien en je er zelfs mee verder wil. Neem nou natuurkunde.

In de onderbouw, tweede en derde klas, vond ik het niet bijster interessant en ik kon mij niet voorstellen dat dit ook maar enig nut had, voor wat dan ook. Toen ik voor het eerst een formule op het bord zag verschijnen dacht ik: “Dat geloof ik dus echt niet, mij maak je dat niet wijs!”. En toen ik er wat langer over nagedacht had: “oh ja, dus als ik een peer met een citroen vermenigvuldig en die vervolgens deel door een meloen dan krijg ik een banaan? Dit gaat nergens over!”

Ik heb mij nog jarenlang principieel verzet tegen deze denktrant. Het is dan ook puur dank zij het feit dat ik de meisjes in mijn klassen voor het grootste deel absolute heksen vond met hun achterbakse streken, waardoor ik mij liever liet plaatsen in een klas met onmogelijke vakken als natuurkunde, waarvoor ik ook nog met de grootste moeite zeer matig presteerde, dan dat ik de talenkant koos die mij en al die feeksen heel goed af ging en ik dus eigenlijk ook met hen verder zou moeten. Liever de dreiging van een foute pakketkeuze en dan in de zesde twee klassen teruggeplaatst worden om jaren later alsnog in het “juiste vakkenpakket” eindexamen te kunnen doen. Het is mij voorgespiegeld, het vertrouwen in mijn keuze was nihil. Gelukkig had ik les van een docentenkorps dat af en toe wel vriendelijk wilde zijn maar toch meestal bij problemen of meningsverschillen de schouders ophaalde en je lekker op je muil liet gaan, en dat mocht ik dus ook. Alleen ging ik niet op mijn muil, maar heb ik gewoon na zes jaar mijn atheneum-b-diploma gehaald. Niets leukers dan docenten op hun neus laten kijken!

Natuurkunde vond ik ook tot aan het examen toe verschrikkelijk irritant. Het wilde gewoon niet lukken met die opgaven! Het antwoordenboek gaf steeds een andere uitkomst dan ik had gevonden, wat ik ook probeerde. Aan huiswerk deed ik niet zo veel, maar voor natuurkunde heb ik zo veel uren zitten blokken, zonder resultaat. Totdat ik er uit frustratie over ging dromen: ik zat weer aan die ene afschuwelijke som van voor het slapen gaan die ik maar niet kon oplossen en ik probeerde het eens anders. Waarachtig! Dit kon wel eens de bedoeling zijn! Van pure opwinding werd ik wakker en ik vloog direct mijn bed uit, midden in de nacht, naar mijn bureau met de som, en probeerde uit wat ik net gedroomd had. De som kwam uit, ik kreeg hetzelfde als dat gehate antwoordenboek! Ineens had ik door op welke manier ik er naar moest kijken. Wat heb ik daarna lekker geslapen!

De (enige) kracht van het onderwijs dat ik zelf op het vwo heb genoten is dat ze me in m’n sop lieten gaarkoken. Op hun manier lieten ze mij dus ook mijn eigen weg volgen. De grote hamvraag is nu: was ik ook degene geworden die ik nu ben als ik mij in het nieuw te ontwikkelen onderwijs had bevonden? Hoe nuttig is het om af en toe tegen muren van frustratie op te lopen wanneer je je karakter, je persoonlijkheid, aan het ontwikkelen bent? Ik denk: ellek nadeel…

21. Pillen of menselijk contact? Doe maar geld!

Je begint samen in hetzelfde gezin, maar vliegt ieder een andere kant uit, wat al zichtbaar is in die eerste jaren. De eerste ervaringen delen we, maar we kunnen ze dan nog niet verwoorden. Later zijn we ieder een kant op gegroeid en onze levens raken elkaar zelfs jarenlang niet meer. Geen overeenkomsten in ontwikkeling of keuzes in opleiding, beroep en hobby’s: ik van alles veel en zij van alles niets. Wel kreeg ze pillen om de symptomen te bestrijden die ingrijpende trauma’s nu eenmaal oproepen. Alsof een pil kan goedmaken wat in het contact met andere mensen zo verschrikkelijk is fout gegaan.

Die psychofarmaca maken niet alleen dik maar beschadigen ook je organen. Als je dus op goed moment de houdbaarheid van je hart hebt bereikt op een nog veel te jonge leeftijd kom je daarom niet eens in aanmerking voor een nieuw hart. Dat wordt dan liever gegeven aan iemand die er vermoedelijk langer plezier van zal hebben. Nu vind ik die redenatie op zichzelf niet verkeerd. Maar ik ben wel heel erg kwaad over het feit dat geneesmiddelen worden toegediend waar ik er persoonlijk hun nut niet van inzie en die vervolgens er voor zorgen dat het onmisbare nieuwe hart niet wordt gegund omdat het lichaam al te veel is beschadigd, door diezelfde dubieuze pillen.

En de schaal waarop dit gebeurt is enorm. Wanneer gaan we hier mee stoppen? Wanneer gaan we stoppen met het toedienen van psychofarmaca aan mensen die in de eerste plaats behoefte hebben aan mentale en fysieke veiligheid en iemand die ze blind kunnen vertrouwen? Het gaat, volgens mij, al fout bij de diagnose van veel “patiënten”. Komt dat doordat onze samenleving zo ontzettend veel geld genereert met farmaceutische oplossingen? Net zoals de verslaving van alcohol of roken nooit echt goed aangepakt zal worden want we vangen er ook zo disproportioneel veel belasting mee, wat erg goed is voor onze schatkist, de zorg, het onderwijs en defensie? Waar moet dat dan allemaal van betaald worden? Op dit moment van de zwakkeren in onze samenleving, degenen die geen enkele invloed hebben en altijd overal naast grijpen.

20. Voor iedereen de algemene norm

Toen ik met mijn pasgeboren baby de verplichte bezoekjes aan het consultatiebureau aflegde viel me al een eigenaardig fenomeen op. Steeds werden lengte en gewicht van mijn kind opgemeten en in een grafiek tegen de tijd uitgezet. Die grafiek werd dan naast een gemiddelde van alle Nederlandse baby’s in die leeftijd gelegd, waarna mij werd gevraagd of ze goed at, waar ik op reageerde met “matig”. Resultaat van het bezoek: alles kwam keurig overeen met de gemiddelden, maar omdat ze volgens mij niet heel goed at werd ik een half uur lang doorgezaagd over het belang van haar voortaan echt “beter” (meer, dus) te laten eten. Waar gaat dit over? Wat zijn we hier aan het doen?

Allereerst is het niet voldoende dat een baby normaal en gezond oogt. Verder wordt een subjectieve waardering zoals “matig” vertaald naar een al even subjectieve waarde: niet genoeg, die vervolgens lijdt tot de bizarre conclusie dat een naderend onheil absoluut dient te worden afgewend. Met als heilig redmiddel: meer eten geven dan dit blakend gezonde kind zelf wil. En je dan wel afvragen hoe het toch komt dat zoveel kinderen obesitas hebben? Door de nawerkingen van de zwangerschapsblues heeft het nog een paar onderzoeken geduurd voordat ik besloot de aanwijzingen voortaan te negeren, want dit gaat nergens over.

Inmiddels zijn we jaren verder en lees ik in de Trouw van 18 maart 2017 het artikel “Het jonge brein kan nog alle kanten op”, dat handelt over actueel neurologisch onderzoek aan baby’s in verband met het ontstaan van aandoeningen als autisme, dyslectie en hyperactiviteit. Waar ik moeite mee heb in dat artikel is dat deze aandoeningen (huh?, woord met waarde-oordeel, maar het beestje moet nu eenmaal een naam hebben) een probleem vormen bij de ontwikkeling naar een hoog opgeleide volwassene met een uitstekend betaalde kantoorbaan. (Ga eens praten met al die juristen die onlangs op de arbeidsmarkt terecht zijn gekomen en blij zijn dat ze voor de helft van een normaal geldend salaris of nog minder alle werk inclusief alle bijbehorende verantwoordelijkheden moeten doen en dragen, onder het motto van “stage” en “goed voor je CV” als compensatie voor dat afwezige goede salaris! Of die piloten die voor Ryan Air bijna gratis moeten vliegen want als ze dat weigeren en daardoor te lang niet vliegen kunnen wordt hun vliegbevoegdheid ongeldig. Maar hun studieschuld van vele duizenden euri blijft wel geldig! Weliswaar geen kantoorbaan, maar wel hoogopgeleid en, inmiddels, niet overal goed betaald.)

Pas op de plaats: hier gaan al een paar dingen mis. We willen blijkbaar allemaal diezelfde toekomst (hoe komen we daar toch bij?) en we zijn daar blijkbaar ook allemaal in de basis even geschikt voor (aanname, ideologie, wensgedachte, eerlijkheidsprincipe; allemaal JA, maar helaas geen vastgesteld feit). Het enige wat er fout zou kunnen gaan in het bereiken van die ideale toekomst, getuige onder andere de teneur van dit artikel, is dat de onderzochte stoornissen roet in het eten gooien. Maar als een kind een groot talent heeft voor, bij voorbeeld, dansen, zal het door de beweeglijke aard die daar bij hoort veel moeite hebben met lang stilzitten achter boeken om theoretische kennis op taal- en rekengebieden tot zich te nemen. Wij zien het kind worstelen met de eis zich te conformeren aan ons ideaalbeeld dat moet leiden tot de geschetste toekomst, en constateren dat hier sprake kan zijn van een of meer van de genoemde stoornissen. Vroeger hadden we praktische beroepsopleidingen die kinderen, die met de zes andere intelligenties begiftigd waren, een passend diploma konden bezorgen waar het kind ook succesvol mee kon worden. Die zijn al weer jaren geleden afgeschaft ten bate van de introductie van de vier vmbo-niveaus.

Laten we die jammerlijke afgedankte maar wel goede beroepsopleidingen (LTS!) van weleer alsjeblieft weer in gebruik nemen. Daar zouden we zo verschrikkelijk veel mensen individueel, maar ook de Nederlandse gemeenschap als geheel, enorm mee helpen. Laat ieder in zijn waarde en geef hem het onderwijs dat wel bij hem past, in plaats van diens hersenen aan te gaan passen met pillen ten einde de stoornis monddood te maken voor het bereiken van een toekomst die niet bij dat individu past.