19. Bijna-doodervaring

Soms zit het tegen; ik werd wakker met twee ogen waarvan het oogwit niet langer wit was maar helder geel. Hoe ik er aan kwam? Geen idee, toen niet en nu nog steeds niet. Maar omdat ik me verder uitstekend voelde zag ik geen reden om mijn lessen voor die dag niet door te laten gaan. Ik had die dag voornamelijk mavo-klassen en die leerlingen zijn enorm van het hart op de tong. Dus in iedere klas zaten er wel een paar die zich geroepen voelden om mij te waarschuwen: “Willemijn, weet je wel dat je er nu echt heel erg eng uitziet?” Bezorgde gezichtjes die zich in groepjes om mee heen verzamelden, want hier moesten ze natuurlijk wel het fijne van weten.

Het bleef niet bij die ene waarschuwing. Toen ik in mijn argeloosheid zei dat ik niet van plan was hier mee naar de dokter te gaan kwamen ze met allerhande verhalen over familieleden en bekenden die met vergelijkbaar enge symptomen achteraf bijna dood waren geweest als ze niet even voor de zekerheid naar de dokter waren gegaan. Ik kon de les niet starten voordat ik plechtig had beloofd er toch even naar te laten kijken. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik het van al hun horrorverhalen toch wel wat benauwd had gekregen en dus inderdaad mijn huisarts heb opgezocht. Die natuurlijk zei dat het vanzelf wel weer over zou gaan. En dat deed het ook. Zie je wel. Maar het was indrukwekkend om te horen hoeveel medische kennis ze hadden, zo buiten school om opgedaan en nog steeds in het hoofd.

Als je contact hebt met je leerlingen, het soort waarbij je open staat voor elkaars mening en interesses, is lesgeven echt mensenwerk. Als een leerling bij me komt zitten om even iets te bespreken, en dat kan echt overal over gaan, ben ik een en al oor. Een meisje vroeg mij of die geweldige kunstnagels, die ik me eens als experiment heb laten aanmeten, waren opgeplakt of in een salon waren aangebracht. Ik vertelde haar stap voor stap over elke fase die mijn nagels ondergingen en van het kleinste technische detail tot aan de prijs en adres van de plek aan toe was ze een en al interesse. Dat is heel bijzonder, want deze dame kende ik als zeer snel afgeleid, met een volledige desinteresse voor alles wat met nask, techniek of wetenschap te maken heeft. Ik begin me af te vragen of ik elke uitleg, indien mogelijk (meestal niet) in twee varianten moet doen. Voor de meisjes dus alle info over stoffen die tot kunstnagels leiden en voor jongens alles over de fabricage van plastic kano’s. Maar wel beide aan dezelfde groep want tussen die jongens zitten er ook die net zo geboeid naar dat verhaal over de productie van die nagels kunnen luisteren en tussen de meisjes zitten er die ook geboeid zullen zijn door die kano-productie.

Aparte klassen voor aparte uitleg maken werkt niet, want je weet nooit van tevoren wat bij wie gaat aanslaan. Ook niet als je leerlingen al wat beter kent. Het is zeer gebruikelijk in het onderwijs om je lesstof te (proberen te) laten aansluiten op de belevingswereld van de leerling, maar in mijn eigen geval is er dan weer sprake van de uitzondering: ik vind het juist interessant om te horen/lezen/leren over dingen waar ik totaal niets van af weet en liefst niet eens van wist dat dat ook bestond. Voor hoeveel leerlingen geldt dat nog meer? Een les voor de vakantie leent zich altijd goed om ze beeldmateriaal te laten zien over je vakgebied waar ze voorlopig dan wel nooit aan toe zullen komen en dat wel een beeld schetst van hun eventuele toekomst als ze jouw vak gaan kiezen. Hoe verder het van ze af staat hoe beter, heb ik gemerkt, ze vinden het fijn om verrast te worden.

Als we nou toch per se iedereen in een hokje moeten stoppen, waarom dan niet op leerstijl, of intelligentietype? Daar hebben we er acht van terwijl we er maar twee echt serieus nemen (taal en rekenen). Je begint met ze allemaal achter een leerboek te plaatsen, waarna je gaat observeren wie iets met boeken heeft en wie niet. Na een maand of drie plaats je ze opnieuw, nu naar leerstijl. Een groep leert door bewegen, dus die zijn aan het springen, balanceren en klimmuur-klimmen terwijl ze hun stof oefenen. Anderen zitten in de geluidsgroep; ze oefenen weetjes op het ritme van getrommel, of ze bestuderen hoe een automotor op benzine verschilt van eentje op waterstofgas terwijl je de radio hard op 538 hebt staan (is in garages ook en niet voor niets) en de natuurgroep leert zijn stof in het park bij de vijver. Enzovoort. Dan krijg je wel dat alle niveaus door elkaar gaan lopen (de oude hokjes laten we los) maar het was toch al de bedoeling, sinds jaar en dag, dat we lessen en diploma’s op maat gingen maken?

Als we de oude structuren loslaten kunnen we beter differentiëren, maar hebben we ook minder controle op leerprocessen. Daar krijgt minstens driekwart van alle Nederlanders vermoedelijk enorme jeuk van, “de gedachte alleen al…”, maar als dat niet is wat we willen moeten we ophouden met zeuren over de gebreken die het huidige systeem heeft.

Je kunt niet alles hebben.

18. Lezen, luisteren of het zelf ervaren

Motor in museum van F-16 luchtbasis Volkel,
excursie MLA voor TvT

Toen mijn Friese overgrootmoeder, na een leven lang in Winschoten te hebben geleefd, naar Vlagtwedde emigreerde was ze met haar tweede man getrouwd, Beling. Hoewel hij strict genomen geen bloedverwant van mij was herinner ik me meer van hem dan van haar, want toen ik daar logeerde maakte hij een diepere indruk op mij dan zij. Ten eerste omdat hij verschrikkelijk veel rookte en daar ook een zeer pijnlijke dood door stierf, ondertussen gewoon doorrokend. Zou dat mij van het roken hebben afgehouden, zo’n aardige man, die mij leerde dat je beter een boterham met spek kunt eten of een appel dan gesuikerd snoep, want dat verziekt je gezonde eetlust (naar fatsoenlijk avondeten) en ruïneert je gebit (maar wie interesseert dat nog iets, dezer dagen)? Die mij op de mestvaalt naast de kersenboom liet klimmen om kersen te plukken en die direct op te eten zonder eerst te wassen, ooooh, gruwel!!!! (Wat zou de Dettolmaffia daar wel niet van gezegd hebben…) De man die in zijn huis geen slaapkamers had maar bedstedes, waar ik dus ook nog in geslapen heb. Tjonge, “oma vertelt” hoor, en ik heb nog geeneens kleinkinderen.

Wat ik maar zeggen wil is dat je leert van oudere generaties door met ze om te gaan en met ze te praten. Zien hoe iemand letterlijk langzaam aan het verdrinken is door longemfyseem en hoe dat je lijf en leven raakt is anders dan erover lezen in een biologieboek. Leren door ervaren, leren door doen, dat geeft lessen die je niet meer vergeet. Van mijn werktuigbouwstudie herinner ik me voornamelijk de bedrijfsbezoeken die we een week lang verplicht hadden, als voorbereiding op onze eigen loopbaan. De deur uit, dat maakt indruk!

Jarenlang heb ik advocaat willen worden nadat ik een procureur-generaal had geïnterviewd in opdracht van school. Ik had de man hoogst persoonlijk uit de telefoongids gevist en hij stond mij zeer vriendelijk te woord, ik was helemaal om. Dat soort opdrachten vormt je.

Als we nu eens wat minder tijd aan boeken en klassikale lessen besteden en meer tijd inruimen om kinderen te laten kiezen voor extra uitleg of verdieping (stel je voor dat ze een vak leuk vinden!) danwel een uitje buiten de deur regelen naar bedrijf of verzorgingshuis en vooral: die stages door laten gaan. Docenten zijn meer dan wandelende informatiebronnen en opvoeders; het zijn ware organisatietalenten met veel levenservaring die ook een eigen verhaal hebben. Het zijn bij mij juist die achteloze opmerkingen die het best zijn blijven hangen, niet al die feitenkennis die ik er zelf uit de boeken in heb moeten stampen. Het onderwijs dat ik zelf op de basis- en middelbare school heb genoten was beslist inferieur aan dat van nu. En ik kan het weten, ik heb als leerling op vijf basis- en middelbare scholen gezeten. Naar dat onderwijs wil je echt niet terug en iedereen die roept dat dat de goede tijden waren jagen mij de stuipen op het lijf. Wat een armoede was dat, toen.

Maar voor nu: kunnen we alsjeblieft die kinderachtige duizend-uren-ophok-norm halveren ten gunste van effectiever onderwijs, meer op maat en meer op de mens gericht?

Ik hoop dat de nieuwe kabinetsformatie straks woord houdt en het onderwijs het geld geeft waar we allemaal beter van worden.

17. Gepuber

Van oudsher kan ik mij alleen maar herinneren hoe we wilden dat ieder lid van onze samenleving zich wat meer betrokken voelde bij de politiek. Ik geloof dat we dat inmiddels bereikt hebben. Ik geloof ook dat niet iedereen even blij is met het resultaat; afgezien van de PVV ongeveer het hele politieke bestel. Waar politieke discussies via Twitter gevoerd worden zijn de nieuw bedachte scheldwoorden niet van de lucht, ik zat met open mond diverse varianten te lezen in de taalrubriek van Trouw van zaterdag 11-2-2017. Het doet mij sterk denken aan uitgesteld pubergedrag. Geen feiten, maar scheldwoorden. Geen antwoord afwachten, maar snel weer terugtrekken; weg dialoog en schermen met feiten. Terwijl ze op de middelbare school les krijgen in hoe een goed debat te voeren en op de basisschool hoe je elkaar laat uitspreken, naar elkaar luistert en op elkaar reageert. Of moet de generatie die al dit moois leert nog begin twintig worden? Dat zou kunnen.

In ieder geval vraag ik mij af of er een link bestaat tussen de pamperende opvoeding die we heden ten dage geven en de nooit werkelijk uitgeleefde behoefte om eens flink rel te schoppen. Hoe kun je je immers los rukken van je opvoeders (thuis en op school) als iedereen je maar de hele tijd begrijpt en alles bespreekbaar is? Ik vind dit een heel gevaarlijke vraag, want ik geniet er zelf enorm van om met mijn leerlingen te werken, in plaats van ze te duwen, dwingen, straffen enz. En diep van binnen geloof ik nog steeds dat we met deze aanpak empathische en emotioneel ontwikkelde volwassenen in de maatschappij afleveren. Maar er knaagt ook iets, want hoe komt het dat, ondanks de moderne, wetenschappelijk onderbouwde, les- en opvoedmethodes we toch jongvolwassenen krijgen die geen nee kunnen accepteren, die eisen dat ze elk moment, door iedereen, gehoord worden over alles wat ze maar kwijt willen? Die het niet pikken wanneer de dingen niet gaan zoals zij willen of hadden verwacht? En daarom maar alles overhoop halen dat vorige generaties opgebouwd hebben? Ze zijn niet anders dan alle generaties die hen voorgingen, maar het lijkt erop dat deze generatie nog moet leren dat er ook wel eens een nee kan komen. En daar maakt Wilders grof misbruik van.

Moeten we Wilders niet als voorbeeld nemen om aan te geven dat ook de democratie zijn grenzen heeft? Dat je niet moet willen dingen naar presidentschap als je het hele systeem daar omheen afwijst? Moeten we niet duidelijk maken dat er een groter goed verdedigd moet worden dan alleen de wensen van een subgroep? Ik ben ontzettend blij dat er op voorhand zoveel uitsluitingen jegens de PVV zijn uitgesproken, want de grens is bereikt en dat moet duidelijk gemaakt worden.

Het is de taak van de jongeren om te schudden aan de waarden en normen die door hun voorgangers zijn opgesteld en het is de taak van de oudere generaties om datgene veilig te stellen dat voor ieders welzijn absoluut beschermd moet worden (veiligheid, vrijheid van meningsuiting en tolerantie, om er een paar te noemen). Het is ook hun taak om op zeker moment te zeggen: tot hier en niet verder! En met Wilders als rolmodel slaan we gelijk twee vliegen in een klap.

Het zouden vooral begin twintigers zijn die op de PVV stemmen…? Stond afgelopen week in Trouw.

 

16. Wie wil IEDER VAN ONS vertegenwoordigen?

Als docent in het voortgezet onderwijs weet ik als geen ander dat leerlingen voor je vak willen werken, ook als ze het niet leuk of moeilijk vinden, wanneer ze jou als persoon wel zien zitten. In jargon noemen we dat: eerst relatie, dan prestatie. Je dient dus uit te reiken naar je leerlingen en contact met ze te leggen. Gisteravond hoorde ik als atheïstisch koorlid een preek aan in de kerk waar we een viering met onze liederen ondersteunden. De man die sprak was niet de gebruikelijke, maar hij wist de verbinding te leggen met iedereen die er was, zelfs met mij. Dat is knap, want ik voel me niet snel aangesproken als het niet op mij rechtstreeks is gericht (en zelfs dan…). En terwijl ik bemerkte wat dit met mij deed vroeg ik me af waarom een minister president als Rutte, met al die adviseurs en denkers om zich heen, niet in staat is om zijn eigen kiezers te bereiken en ze zelfs te schofferen door zich ook populistisch te gaan uiten? Heeft die man geen communicatieprofessionals om hem te helpen die mensen aan te spreken die voor zichzelf denken, die anders denkenden in hun waarden laten, die om onderbouwde feiten geven en die een minister president willen die iedereen vertegenwoordigt die in Nederland woont? Iemand die niet in staat is om individuen uit elke groep van onze samenleving die een gevaar voor ons vormen apart te zien van de groep waar zij uit komen verdient het niet om door ons gekozen te worden.

Wat Nederland nodig heeft is een president die verbinding weet te leggen met zowel de mensen die van oudsher al voor hem kozen als de mensen die dat niet deden omdat ze niet begrepen wat hij precies doet en waarom, terwijl een populist wel hun vragen en zorgen tot hun tevredenheid beantwoordt. Wie oh wie in ons politieke bestel kan ons Nederlanders wel bereiken en ons allemaal als een groep zien? Wie helpt ons om ons tegen die individuen te beschermen die de rechtsstaat, onze vrijheid van meningsuiting, onze veiligheid en onze tolerantie bedreigen?

Op wie moet ik nu in vredesnaam nog stemmen?

15. Vind je dat normaal?

Met verbazing las ik over de vorige week uitgelekte notitie van de politie waarin men zich afvraagt waarom er zo veel minder aangifte wordt gedaan dan er criminaliteit is. Waarom is dit verbazend? In mijn ervaring heeft de politie minstens twee decennia al geweigerd om mijn aangiftes te registreren. Een aantal keren ben ik naar een politiebureau in Amsterdam geweest voor, bij voorbeeld, het aangeven van een gestolen fiets, inbraak of dreigende mishandeling door mijn cocaïne snuivende en dealende buurman. Ik kon aandringen wat ik wilde, maar meer dan wat goed bedoelende adviezen en zoveel koffie als ik maar wilde konden zij mij echt niet bieden. Er werd niets geregistreerd. Het is waar: de politie is je beste vriend en net als je beste vriend kan die weinig uitrichten tegen de opgesomde problemen. Wel vond ik het erg sympathiek dat ik daar de hele nacht, elke nacht, gezellig bij ze mocht komen koffie drinken als ik dat wilde. Als hun koffie niet van zo dramatisch lage kwaliteit was geweest zou ik dat misschien nog wel gedaan hebben ook.

Indertijd vroeg ik mij af waar deze zo onlogische reactie op mijn pogingen tot aangifte doen het gevolg van kon zijn en inmiddels heb ik een hypothese bedacht: omdat de politie wordt afgerekend op het aantal door hun opgeloste zaken is het naar de baas toe beter als je alleen die vergrijpen, overtredingen en misdaden registreert die je ook kunt oplossen. Dan doe je het op papier heel goed en ook politiemensen hebben gezinnen, moeten eten en leven enz. Wat ik maar wil zeggen is dat dit een voorbeeld is van de volstrekt doorgeslagen toepassing van het economische marktdenken, waarbij kosten tegen baten worden gesteld, alleen wat meetbaar is telt mee en mensen worden niet meer afgerekend op de geest maar op de letter van de wet. In de zorg is dit minstens zo erg: hulpverleners moeten de minuten registreren (en beperken!) die ze nodig hebben om iemand een stel steunkousen aan te trekken, terwijl de persoon in kwestie verpietert van eenzaamheid want voor een oppervlakkig gesprekje met een ander levend wezen is geen tijd. In de zorg doe je het goed wanneer je binnen de gestelde drie minuten (of zo) blijft! Je zou denken dat dit een klucht is.

Helaas gaat ook het onderwijs gebukt onder ons onvolprezen kosten-baten-gedachtengoed: alle leerlingen moeten alle kansen krijgen, maar wie het niet redt drukt op de ‘resultatenrekening’ en levert de school inspectiebezoeken en slechte commentaren in de landelijke pers op waardoor ze met de eerstvolgende leerlingenaanmeldingsronden in de problemen komen. Terwijl het woord kans toch aangeeft: de mogelijkheid bestaat, maar het is niet zeker. En omdat scholen nu eenmaal zichzelf niet kunnen helpen, want zij zijn vergeven van de werknemers die maar de hele tijd kansen in kinderen zien en die tot ontwikkeling willen brengen, proberen zij steeds allerlei kinderen met allerlei achtergronden, problemen enz. toch dat felbegeerde diplomaatje te bezorgen. Omdat niet slagen de school strafmaatregelen oplevert moet het leerproces zo tot in het extreme gestuurd, gecontroleerd en overgemanaged worden dat daar andere kinderen juist weer de dupe van worden. Je zal maar iemand zijn die alleen leert door eigen ervaring en gemaakte fouten. En dan kunnen er geen fouten meer gemaakt worden want er staat steeds iemand alles wat je doet te registreren en te meten zodat je, voordat het werkelijk fout gaat, toch weer op de juiste koers gezet wordt. En dan is iedereen in het schoolwezen zo verbaasd over het feit dat in de bovenbouw de leerling geen initiatief, verantwoordelijkheid voor eigen leren of enig creatief oplossend vermogen vertoont. En ze zijn super onzeker, want hun hele leven lang hebben de meesten thuis een moeder gehad die alles voor ze deed want dan ging het beter en sneller en op school een heel docentenkorps dat ze van minuut tot minuut begeleidt. De boodschap is universeel: als we jou loslaten gaat het echt gruwelijk fout met jou en zal het nooit meer goed komen. Wij komen je redden!

De enige manier om hier verandering in te brengen is om niet meer die zwartwitte slagings- en doorgroeicijfers als afrekenmiddel voor scholen te gebruiken. Bij kansen geven hoort ook de mogelijkheid te falen. Wat er nu gebeurt is dat, bij voorbeeld, een kind dat eigenlijk veel beter is met zijn handen en buitengewoon waardevol kan zijn in al die beroepen waar we steeds meer tekorten krijgen (technologisch, ict, lassers en pijpfitters enz.) moet per se een havodiploma bemachtigen want alleen dan zou je kunnen slagen in het leven en gelukkig worden. Waardoor we dus mensen op de verkeerde plek krijgen: werkloosheid in overbevolkte beroepssectoren en werknemerstekorten in al die verguisde beroepen waar iedereen echter zeer afhankelijk van is in zijn of haar dagelijks welzijn.

Mijn dochtertje zou zeggen: “Man, man, man, kansloos dit!”

14. Dus jij weet het beter? Gelukkig maar!

“Als een kenmerk van hoogbegaafdheid is dat de persoon is kwestie heel lui is en ‘het er niet uitkomt op de toetsen of in de klas’ dan heb ik hier een hele mavoklas vol met hoogbegaafden!”, aldus een kennis, tot grote hilariteit van de rest van het gezelschap. Het is inderdaad lastig om onderscheid te maken tussen iemand die een beetje zit te suffen na een nacht slecht slapen en iemand die heel diep over iets zit na te denken en daardoor ogenschijnlijk ‘niets doet’. Het wordt ook als luiheid gezien wanneer iemand een manier zoekt om een tijdrovend of eentonig karweitje te vervangen door een alternatieve manier, ten einde aan die taak te ontkomen. Op scholen wordt het inslijten van kennis en vaardigheden door veel herhaling als het hoogste goed gezien, daar kan geen leerling aan ontkomen. Maar wat als je het na een of twee keer al doorziet en al veel verder bent in je gedachtengang? Intense verveling en demotivatie zijn je deel, jaar in jaar uit.

Hoeveel extreem slimme mensen Nederland kent is afhankelijk van hoe je dat definieert (bij voorbeeld 2 tot 3% van de bevolking of de 300.000 geregistreerden bij Mensa, een club voor hoogbegaafden). De vraag is hoe je dat meet en welke criteria je daar voor gebruikt, er zijn uiteenlopende mogelijkheden. En hoewel een exact cijfer dus afhankelijk is van de definiëring van meer-dan-gemiddeld-begaafd en het feit dat de gegevens waarmee gewerkt moet worden incompleet zijn hebben we toch aantallen nodig omdat “we” nu eenmaal marktgericht denken en als dat aantal te laag is is het niet nodig om iets met dat denkpotentieel te doen. “We” nemen voor lief dat ze straks in de ziektewet verdwijnen en nergens tot hun recht kunnen komen in ons doe-nou-maar-normaal-dan-doe-je-al-gek-genoeg-landje, waar “we” trots zijn op onze ongenuanceerdheid en “we” alle koppen boven het maaiveld rigoureus afhakken.

Wat we nodig hebben is een screening op hoogbegaafdheid voor alle twaalfjarigen, liefst na de cito toets. Daar is dan nog tijd voor en het vult ons beeld van het kind aan. Omdat er niet voor geoefend hoeft te worden is het slechts een kwestie van nog meer vragen beantwoorden. Wie hoog scoort kan naar nog speciaal te ontwikkelen onderwijs dat vanuit probleemstelling motiveert. Het kind krijgt daar vraagstukken waarvoor die zelf zich de vereiste vaardigheden en kennis eigen moet maken om de uiteindelijke opdracht te kunnen afronden. Bij voorbeeld: schrijf een leerboek over de romeinse tijd voor basisschoolkinderen in het Franstalige Ivoorkust, of zoiets, waardoor ze zelf op zoek moeten naar de kennis om aan de opdracht te voldoen. Het uiteindelijke resultaat dient in het Frans gepresenteerd te worden. Dit vereist andere begeleiding en zeker andere scholing van docenten, daarom is dit iets wat op de lerarenopleidingen zou moeten worden opgepakt. Ongetwijfeld zal dan blijken dat het hier gegeven voorbeeld aan alle kanten rammelt, maar ik wil iedereen uitdagen om een betere opdracht te schrijven, waar de allerslimsten graag hun tanden in zetten!

De groep die we daarmee creëren kunnen we, bij voorbeeld, inzetten voor advisering van regeringen en grote bedrijven bij allerlei ethische, technologische en andere kwesties waar we nu gewoontegetrouw op stuk lopen. Laat hen nadenken over hoe regeringen hun standpunten duidelijk kunnen maken aan lager opgeleiden en hen laten inzien dat hun zeer reële problemen zijn opgemerkt en worden aangepakt (mits dat ook zo is…). Dan zijn we echt meteen van onze populisten af, die vallen dan ineens, eindelijk, door de mand.

13. Professioneel of te stupide voor woorden? https://stopditlerarenregister.nl/

Je kunt ook niet eventjes je aandacht laten verslappen. Zo bedenkt een groepje leraren een register, in lijn met de registratie van advocaten en artsen, die de docentenberoepsgroep moet professionaliseren. Tot zover goede bedoelingen vanuit de juiste plek opgestart. Maar waarom willen wij ons vergelijken met artsen en advocaten? Waarom vergelijken wij ons niet met ministers of met astronauten? Waarom kunnen wij alleen maar “geprofessionaliseerd” worden door dit register?

Sinds 2012 bestaat de mogelijkheid om je als docent vrijwillig te registreren. Ik had een hoop positieve PR hierover over mij heen gekregen en besloot, naïef als ik nu eenmaal ben, mij ook in te schrijven. Daar ben ik vrij snel weer mee gestopt want je moet dan onder een zeer dwingende regie van dat document elke bevoegdheid, cursus, opleiding, bijscholing enz. uploaden. Alles wat je ooit hebt gedaan waarvan je geen bewijs meer hebt is dus vanaf nu officieel nooit gebeurd. Wat een vertrouwen. Ik zou bijna oproepen aan alle docenten om van werkelijk elke vergadering, werkbespreking, workshop en andere werkgerelateerde bijeenkomsten de agenda’s, notulen en bijlagen toe te voegen. Slibt dat hele systeem in een keer dicht en niemand die door de bomen nog het bos kan zien.

Verder begrijp ik niet zo goed waarom schoolleiders door het hele land niet massaal protesteren tegen deze motie van wantrouwen jegens hun managementoriale vaardigheden om geschikt en bevoegd personeel in te huren. Waarom zijn zij niet dodelijk beledigd over het feit dat zij kennelijk niet in staat zijn om een docent met bevoegdheid te onderscheiden van eentje zonder?

En dan heb ik het nog niet eens over de dubieuze gevolgen van dit register. Het vereist veel administratieve handelingen, het middel wordt weer een doel en gelukkig; ouders hebben nu nog meer mogelijkheden om de docent te vertellen hoe hij zijn werk moet doen:

Ouder: “Pietje vindt uw vak niet zo leuk, daarom begrijpt hij het niet en nu haalt hij onvoldoendes. U moet uw lessen leuker maken!”

Docent: “Goh mevrouw, wat een goed idee! Ik ga meteen een cursus “Hoe maak ik mijn lessen leuker” volgen. Ik sein u wel even in zodra ik het gehaald heb en dan kom ik bij u nog even een proeve van bekwaamheid tonen. Oja, en heeft u al gezien dat ik allang mijn vereiste bevoegdheden gehaald heb en dat ik intussen ook geleerd heb hoe ik mentorgesprekken moet voeren en hoe ik een goed praktikum opzet? Wat ben ik professioneel, he!”

Stem nu tegen! Ook als je niet voor de klas staat! HEEEEEEELP!

12. De feitelijkheid van feiten

In de rubriek TAAL in Trouw van 28-12-2016 wordt een actueel verschijnsel aangekaart: feiten die steeds meer te pas en te onpas als een mening worden beschouwd. Dat is heel vreemd wanneer je je bedenkt dat een feit zich juist per definitie van een mening onderscheidt doordat het op neutrale, empirische manier is verkregen. Als ik zeg twee mannen op straat te zien lopen dan verkondig ik een feit, want twee is twee en niet een ander getal. Maar misschien houdt hier het feitelijke van de bewering wel op. Want ik zeg twee mannen te zien, maar zijn het wel mannen? Ik zie twee mensen, zoveel is, bijna, zeker want ik wil complottheorieen over aliens die infiltreren in de wereldbevolking er liever niet bij betrekken. En dat is weer een keus, geen feit. (Niet dat ik geloof in aliens, maar waar baseer ik dat op? En het woord “geloof” in een zin die een basis van feiten moet suggereren maakt dit helemaal een lastig geval!)

Waarom denk ik dat het mannen zijn? Vrouwen dragen ook kort haar, ook broeken, kunnen ook stevig gebouwd zijn en een wat lagere stem hebben. Heb ik misschien hun paspoort gezien? Maar dan nog, dat klopt ook niet altijd, want sommige mensen beschouwen zichzelf van het ene geslacht terwijl de rest van de wereld het label van het andere op ze heeft geplaatst. Wie heeft/hebben gelijk? Dat hangt af van de definities die je hanteert; hoe objectief zijn die? Wetenschap is mensenwerk! Bij mijn bewering ga ik uit van interpretaties, maar alleen het getal twee is feitelijk een feit.

Nu is de bewering die ik hier gedaan heb neutraal, dat pleit voor het feitelijke. Maar het is niet meer neutraal wanneer er een context omheen zit. Zie het volgende gedachte-experiment.

Als ik voor een tabaksfabrikant de gevolgen van roken op de totale gezondheid van mensen meet kan ik kiezen welk deel van de resultaten ik wil publiceren. Je zou als arme, onschuldige en idealistische onderzoeker bijna denken dat het logisch is dat je alle gegevens meldt en dat je de context erbij zet: hoe groot was de onderzochte groep, hoe was die samengesteld qua geslacht, leeftijd, gezondheid, beroepskeuze, ontwikkelingsniveau, eetgewoontes enz., welke formules en berekeningen heb je gebruikt en welke aannames heb je als onderzoeker gedaan? Als je “volledig” wil zijn wordt het nooit een kort stukje, maar ook bij “volledig” kun je flinke vraagtekens zetten, want achteraf blijken er altijd nog meer relevante factoren meegespeeld te hebben. Onderzoek is een work-in-progress. Wil je gelezen worden dan moet je niet met een 800 pagina’s tellend epistel aankomen. Wil je de volgende keer weer door de tabaksfabrikant ingehuurd worden dan zal dat invloed hebben op je conclusies. Het onderzoek is dan, in dit geval, nog wel neutraal maar de conclusies beslist niet meer.

En dat is het probleem met feiten. Ze zitten meestal in een context die niet neutraal is, die vooroordelen op kan roepen en die de toekomst al dan niet kan of mag beïnvloeden. Daarnaast komen die feiten ook nog eens voort uit een onderzoek dat van de keuzes aan elkaar hangt. En keuzes zijn persoonlijk, dus subjectief. Twee onderzoeken kunnen hetzelfde meten en toch totaal andere conclusies geven doordat het ene aan mijnwerkers in Rusland meet en het andere aan peuters in Nederland. Maar bij onderzoeken worden als regel de omstandigheden van dat onderzoek, de keuzes van de onderzoeker en belangen die kunnen meespelen zelden of slechts ten dele vermeld.

Als je dan ook nog bedenkt dat er gesjoemel door onderzoekers met onderzoeksresultaten in het nieuws is geweest, dat fabrikanten de uitkomsten van onderzoeken censureren en dat correct verkregen onderzoeksresultaten achterhaald kunnen worden door voortschrijdend inzicht vind ik het niet zo vreemd meer dat veel mensen feiten voor meningen gaan zien.

Hier ligt een taak voor de wetenschap om in begrijpelijke en korte teksten inzicht in hun werkwijze te geven aan het grote publiek wanneer ze hun resultaten communiceren. Desnoods in een apart context-katern.

Geef ons onze feiten alstublieft weer terug! Dat communiceert vast beter.

11. Onderwijs bieden is ook een leerproces.

Misschien vind ik het leukste aan onderwijs nog wel dat ik leer van mijn leerlingen. Al sinds dag 1 dat ik voor de klas sta poneer ik mijn meningen en stellingen in de klas en probeer ik leer- en werkvormen uit. De reacties van mijn kinderen bevatten vaak verrassingen, soms in hun antwoorden en soms middels hun toetsen. Een opmerkelijk resultaat kreeg ik eens toen ik twee parallelklassen 3havo dezelfde toets afnam nadat ik ze in de les in ongelijke mate “vrij” liet. De ene groep liet ik stil naar mijn uitleg luisteren. De andere groep liet ik vrijer en zij werden een regelrechte praatgroep, die altijd rumoerig was in de zin dat ze regelmatig praatten met elkaar tijdens mijn uitleg. Dat ging dan vaak (tja, hoe meet je dat?) over wat ik aan het behandelen was en het leek mij minder gunstig omdat dat gepraat ook anderen af moet leiden. Echter, de groep die ik op voorhand al als “minder goed” had gekwalificeerd omdat ze minder lang achter elkaar stil bleven en voortdurend een gesprek opstartten, had de toets enorm veel beter gemaakt. Het verschil was gemiddeld wel twee punten. Dat verwacht je toch niet!

Je zou er van uit moeten gaan dat beide klassen hetzelfde niveau hebben, maar in de praktijk is mij wel gebleken dat daar enorme variatie in kan zitten. Het kan dus zijn dat die rumoerige groep slimmere kinderen bevatte. Je zou echter ook kunnen concluderen dat de manier waarop de rumoerige klas leerde - wat ze van mij aangereikt kregen direct verwerken door erover te praten - veel effectiever was dan het passief luisteren van de andere groep. Ik heb zelf de ervaring dat als ik luister naar een verhaal ik voortdurend met mijn gedachten afdwaal. De mate van zelfdiscipline bepaalt daarbij hoeveel je van het verhaal zal missen, maar een feit blijft dat je een hiaat in de uitleg krijgt die maakt dat je gaat nadenken over het nu niet meer logische gevolg. Eigenlijk zit je niet meer in het verhaal en de rest van het betoog ben je kwijt. Ik stel dat iedereen wel eens afdwaalt door wat hij hoort zeggen en daarna met wisselend succes de rest nog volgt. Zit daar misschien de reden waarom de meesten bijna niets leren van klassikale uitleg, even aangenomen dat er na de uitleg ook geen verwerkingsopdracht wordt gedaan?

Dat ik zelf, ondanks de nadelen van deze leervorm, als student/leerling/toehoorder nog steeds een heel grote voorkeur heb voor de “college-vorm” van kennisoverdracht zal misschien schuilen in het feit dat het onderwijs dat ik zelf genoten heb bijna zuiver uit klassikale uitleg bestond. Na de uitleg moest ik met mijn medeleerlingen en -studenten doorgaans zelf gaan prutsen op de oefeningetjes die op de middelbare school huiswerk heten te zijn en op de universiteit in zogenaamde werkcolleges worden gedaan. Daar werd de theorie dus verwerkt tot praktische toepassingen, maar die werkcolleges/huiswerkopdrachten voelden als een heel ander vak waar de theorie die ik eerder aangehoord had niets mee te maken leek te hebben. Een gevoel dat sommige van mijn leerlingen ook zeggen te hebben. Eigenaardig, toch?

De moraal van dit verhaal is niet dat we onze leerlingen nog meer moeten dwingen om eerst te luisteren en dan te oefenen en daarbij voor te schrijven waar ze naar luisteren en wat ze oefenen. En ook niet dat ze steeds afgeleid mogen worden. Ik pleit ervoor om de leerling meer ruimte te geven voor zijn manier van leren. Als er eerst een obstakel moet worden opgelost voordat een leerling het vervolg aankan moet dat obstakel aangepakt en opgelost worden. Als er tijdens uitleg rumoer ontstaat dient zich dus iets aan dat aandacht vraagt omdat het verder leren belemmert. Dit geeft al aan dat het onmogelijk is om een klas van dertig leerlingen allemaal op het hetzelfde moment hetzelfde te laten doen. Iedereen heeft op een ander moment in een ander stukje stof een net iets andere hulp nodig. En als een leerling niets kan met het verhaal omdat het doel of nut ervan niet duidelijk is moet er dus eerst een doel of nut gegeven worden, desnoods in de vorm van, bij wijze van spreken, een eindexamenopdracht of iets dergelijks. Daar zijn vele werkvormen op gebaseerd, daar wordt al jaren enorm mee geëxperimenteerd en er worden ook al heel goede resultaten mee geboekt. Maar het kost tijd, en meer dan we voor onderwijsvernieuwingen krijgen. Docenten moeten zich dingen eigen maken die tijd kosten en na uitproberen bijgesteld moeten worden. Als je halverwege een dergelijk proces al begint met beoordelen en nieuwe eisen gaat invoeren ben je dus niet goed bezig. Dit is, onder andere, waar de afgelopen decennia veel onderwijsvernieuwingen op strandden.

Zullen we nu een keer niet het kind met het badwater weggooien?

10. Dat vind ik helemaal niet!

Vraagje: kan ik Wilders aanklagen voor het doen van uitspraken namens mij? Volgens het artikel ‘PVV-leider haalt fel uit naar rechters: Niemand vertrouwt u’ in Trouw van zaterdag 10 december stelt onze politieke populist ten onrechte dat ik geen vertrouwen heb in onze rechterlijke macht. Ook zou mijn vrijheid van meningsuiting zijn beperkt door de uitspraak in zijn vonnis op 9 december 2016. Ik constateer juist het tegenovergestelde: als de schreeuwers een toontje lager gaan zingen komt er misschien ook wat ruimte vrij voor de minder luidruchtigen onder ons om hun zienswijze te ventileren. In het kabaal van meningen dat al zo lang onze oren teistert lijkt het niet meer uit te maken of je nog een mening hebt en welke die dan is. Anderen spreken voor jou, zonder jouw toestemming. Hoe is dit “vrijheid van meningsuiting”?

Daarom roep ik iedereen op om zich te laten horen wanneer je mening weer onjuist wordt weergegeven ten einde 1 iemands eigen doelen te ondersteunen, waar ik in het geval van meneer Schreeuwer ernstig bezwaar tegen maak. Kan iemand die man vertellen dat hij niet namens mij spreekt? Want mij, een “niet-boze en onhoorbare vrouw”, hoort hij niet en hij vertegenwoordigt mij al helemaal niet.

Misschien moeten de verkiezingen voortaan ook een lijst met “zeker niet voor regeren geschikte kandidaten” bijvoegen. Ik weet al wie ik dan aankruis.

9. Nee he, niet nog meer!

Er was eens een jongen die een veelbelovend intellect had. Helaas kon hij zich op het vwo niet handhaven, want hij was te eigenwijs en nam niets aan van al die onderwijsprofessionals die hem adviseerden en waarschuwden. Deze jongen wilde bij mij een practicum waarin een zich steeds herhalende activiteit zat niet uitvoeren want hij vond een programmaatje schrijven voor dat proefje een stuk zinvoller. Door ervaringen (van collega’s) wijs geworden gaf ik hem zijn zin. Hij deed niet het practicum, maar schreef een programmaatje waarbij hij wel moest controleren of de uitkomsten klopten. Hij ontdekte dat er inderdaad wel bijstelling nodig was en die voerde hij dan ook gemotiveerd uit. De toets heeft hij keurig gehaald. Deze leerling leert niet op de standaard manier zoals wij experts dat hebben uitgewerkt.

Het eindeloze herhalen van stof en vaardigheden en het in (te) kleine “hapklare brokken” verdelen van de stof is een geweldig goede methode voor de zwakkere leerling. Daar is het Nederlandse onderwijs buitengewoon goed in; het beste halen uit de minder sterke leerling. Daar zijn het basis- en voortgezet onderwijs ook op ingericht en daar worden ze keihard op afgerekend. 

Maar voor de goede vwo-leerling is deze manier van leren problematisch. Hij wordt door het systeem gedwongen om te denken en werken als een middelmatige tot zwakke leerling, waarna alles fout gaat. Door de enorme hoeveelheid oefeningen en de eindeloze herhalingen die in de lesstof ingebouwd zijn kunnen en mogen zij niet nadenken over wat hen werkelijk bezig houdt, aangaande dat onderwerp. Wat zij wel kunnen wordt niet gezien of niet (h)erkend maar ze krijgen voortdurend te horen dat ze niet genoeg doen en wat ze allemaal fout doen. Dat motiveert niet!

De discussie over hoe een excellente leerling uit te dagen en te laten groeien is er al vele jaren, getuige ook de roep om basisscholen voor hoogbegaafde leerlingen. Er wordt al veel over nagedacht, maar het lijkt binnen het onderwijs zoals dat nu is vormgegeven onmogelijk om uit de cognitief zeer sterke leerling meer te halen dan een mager diplomaatje en een flinke weerzin voor leren.

Kan de inspectie, kan iedereen die van bovenaf de scholen in hun keurslijf heeft gegoten, de teugels wat laten vieren door docenten meer ruimte te laten in hun lesgeven? Zij zijn degenen die zien dat bepaalde dingen niet werken. Laat hen experimenteren met andere leermanieren om hun leerlingen toch op een bepaald kennis- en denkniveau te krijgen. Er zijn zoveel mogelijkheden en bij de meeste kunnen we niet komen omdat we zelf ook klein gehouden worden. Excelleren doe je niet aan een leiband van controles.

8. Zo dubbel

Toen ik zelf als leerling in de schoolbanken zat kon ik mij in de ene les beter concentreren dan in de andere, waarbij factoren als rumoer in de klas en het moeilijkheidsgehalte die ik bij de opdrachten ervoer bepalend waren voor de beslissing: thuis doen of nu hier? Viel de beslissing op ‘thuis doen’ dan was ik in de klas bezig met hetzij briefjes schrijven met mijn vriendinnen of het maken van huiswerk voor andere vakken dat ik even snel af kon krijgen, onder het motto “dat scheelt straks weer”. Tegenwoordig noemen we dat plannen maar vroeger was dat een doodzonde. Een docent wil immers - ik ook - dat een leerling in aanwezigheid van de leraar zijn oefeningen doet, want hulp bij obstakels in het leren is dan nabij.

Hoe logisch de redenering vanuit de docent bezien ook is, de leerling heeft een andere argumentatie. Het vragen om hulp kan bedreigend zijn want die leraar moet jou straks ook beoordelen en dan wil je niet dat hij jou dom vindt. Leraren die, zoals laatdunkend kan worden gesmaald, “beste vriendjes zijn met hun leerlingen” zijn veel meer bereikbaar voor inhoudelijke vragen dan de zakelijker optredende docent. Verder is vragen stellen lastig omdat je dan de uitleg meteen geacht wordt te snappen en je bent nu gewoon even te moe om zoveel denkkracht op te brengen.

Chronische moeheid onder pubers is sowieso een serieus probleem, wat wordt bevestigd door stevig onderzoek naar pubers en hun hormonale ontwikkelingen, hun slaapgedrag en hun mentale beperkingen als gevolg van hun groei. Om maar even een paar aandachtspuntjes te noemen. Inmiddels is ook gevoeglijk bekend dat de scholen zo vroeg beginnen dat de puber zijn broodnodige slaapcyclus moet verstoren om op tijd op school te zijn. En dan ook nog wakker te blijven, alert te zijn en heel betrokken en pro-actief het programma van de docent af te werken.

Wat ik ook zo schrijnend vindt is dat ze zo lang op school zitten, elke dag opnieuw, jaar in jaar uit, waarbij ze geacht worden alles leuk te vinden wat ze wordt aangeboden. En als ze dan uit zijn is daar de bijles of de huiswerkbegeleiding. Weer nadenken, weer mentaal inspannen en weer luisteren naar andermans uitleg. In die buitenschoolse ‘hulp’ zitten een paar geweldige angels.

Ik zet hulp tussen aanhalingstekens, want het werkt net zo goed averechts als ondersteunend. Bijles ondersteunt de leerling wanneer die een achterstand in een vak heeft opgelopen en nu de lessen niet meer kan volgen doordat een bepaalde vereiste voorkennis ontbreekt. Bijles werkt die achterstand in de stof weg, waarna de leerling het zonder hulp weer zelf doet. Zo zou het moeten, dit is de achterliggende gedachte waarbij bijles een groot nut heeft.

Maar…! Als na het opheffen van de kennisachterstand de bijles doorgaat door dezelfde stof uit te leggen die de docent eerder die dag ook al behandeld heeft ontstaat de situatie waarbij de leerling in de les zegt: ik ga dit nu niet doen want anders heb ik straks niets meer te doen op de bijles en ik moet daar verplicht tot … (vijf uur? zes uur?) blijven. De docent zit nu met een leerling die zich gaat vervelen en die een goed excuus heeft om zijn schoolwerk, bedoeld voor in de klas, uit te stellen. En dat is niet werkbaar.

Voor de leerling is deze situatie schadelijk omdat hij op een dag nauwelijks tijd over heeft om te ontspannen en ook die minstens zo belangrijke sociale ontwikkeling door te maken. Hij moet ook bewegen naar eigen behoefte, zich in hobbies uitleven waar geen beoordeling aan kleeft en leren hoe je je in sociale context redt. Dat moet dus in de avond- en nachtelijke uurtjes gebeuren. En dan is slaap de grote verliezer, daar is niet meer genoeg tijd voor. Het leven van de hedendaagse puber past niet in dagen van 24 uur.

Volgens Ouder geeft meer uit aan bijles, kritiek op ‘schaduwonderwijs’ in Trouw van zaterdag 12-11-2016 vinden sommigen dat “scholen beter onderwijs moeten geven waardoor bijles niet meer nodig is”. Weer zo’n populistische mening over een vrij specialistische en gecompliceerde materie die ik helaas zelf ook tegenkom. Lekker makkelijk, lekker ongenuanceerd, “dit begrijpen we ten minste”. Alsof in de bijles de ruimte en de expertise bestaat om meer onderwijsvormen aan te bieden dan het frontale uitleggen. De enige krachtige onderwijsvorm die bijles te bieden heeft is de een-op-een aandacht die het mogelijk maakt om te achterhalen welk stukje kennis er nou ontbreekt. Maar ook docenten kunnen en doen dat, en ook in de les of desnoods op afspraak erbuiten. In het montessori-onderwijs bij voorbeeld - andere schooltypen kunnen daar andere oplossingen voor hebben - is er zelfs een apart vast uur (de keuzewerktijd) ingeroosterd voor leerlingen om te werken aan die specifieke pijnpunten, waarbij de leerling kiest wat hij uitgelegd wil hebben in een-op-een-aandacht, gewoon onder schooltijd. Zodat hij, als hij uit is, lekker kan gaan sporten of afspreken met vrienden. Of iets anders leuks doen waar geen enkele verplichting aan zit maar dat wel ontspannend werkt. Zoals het hoort, zoals het zou moeten, wat je iedereen toch gunt?

7. Macht aan de boze witte man!

‘Nieuwe president zal met de boze witte man moeten dealen’ kopte Trouw op woensdag 9 november (2016). Hoezo dealen? Het ziet er, volgens het begeleidend stuk, uit alsof Trump dankzij de boze witte man is gekozen, dat hij daar zijn meerderheid vandaan heeft. Van die boze witte mannen heeft Amerika er erg veel en ze lijken bijzonder veel op Trump, als je zijn uitlatingen mag geloven.

Maar mag je die wel geloven? Allereerst is de berichtgeving over hem verwarrend. Er wordt over citaten die van hem zijn aangehaald ook weer geroepen dat die niet kloppen. Vandaag las ik een artikel van Instagram waarin hij de republikeinse kiezer flink schoffeert en eigenlijk beschrijft hoe de verkiezingen er inderdaad uit hebben gezien. Dit zou een 18 jaar geleden in People gepubliceerd artikel betreffen, maar reacties daarop beweren dat er niets van waar is.

Wat mij steeds bezig gehouden heeft wanneer ik nadacht over het verschijnsel Trump is hoe in het algemeen Amerikaanse politieke leiders onderuit gehaald worden wanneer beschamende details uit hun leven en ‘foute’ uitspraken die ze eerder hebben gedaan worden opgerakeld, maar bij Trump die juist als een selling point lijken te werken.

Is Trump misschien juist de man die ‘de boze witte man’ aankan doordat hij eigenlijk een van hen is? Of zal hij ineens voor immigratie blijken te zijn en misschien zelfs na een hartaanval over drie maanden het stokje vrijwillig aan Hilary overdragen? We hebben eerder een acteur op de presidentszetel gehad, hebben we er nu eentje die daar incognito is? Is hij wel eens genomineerd voor een Tony? Wat weten we eigenlijk van hem? Er is zoveel ruis.

Toen ik hoorde dat hij de winnaar was kon ik maar net de impuls bedwingen om per omgaande ook een ticket naar Canada te boeken, samen met al die Amerikanen die in dezelfde shock zijn beland. Toen de ratio het weer overnam, ongeveer drie seconden, bedacht ik me dat Trump ons misschien wel zal verbazen. Misschien is hij wel de aangewezen man om met die boze witte mannen te dealen. Maar ik had het veel leuker gevonden als Hilary met deze fijne bevolkingsgroep had kunnen ‘dealen’, dat had gewoon zoveel meer voldoening gegeven. En wie weet had dat ook nog een paar tips opgeleverd voor ons bescheiden werkende vrouwen die graag haar gelijke rechten en kansen (voor zover inmiddels gerealiseerd) behouden zien. Maar zover hoeft het niet te komen; voor dat de rechten van de vrouw weer terug zijn op niveau 1600 AD hebben we vermoedelijk al een deel van de wereldbevolking verdampt in een nucleaire aanval die de rest van de wereld zo ontwricht dat de schimmel ‘mens’ zichzelf uiteindelijk toch binnen een paar maanden tijd zal hebben vernietigd. Dat zal ruim voor de bouw van die groteske muur naast Mexico zijn.

Trump zelf zal dat allemaal niet meer bewust meemaken, die zal dan met gedeeltelijk vernietigde hersenen sinds zijn laatste hartaanval de verzorgsters in zijn verzorgingshuis het leven zuur maken. Al zijn er vrouwen die juist blij zijn met dit soort aandacht. Wie zijn dat???

Misschien ben ik toch nog steeds in shock. Excuus.

6. Hoofd koel en hart warm, niet andersom

Als ervaren lezeres van psychologische thrillers, trouw kijker van series als NCIS en Law & Order en totaal gebiologeerd geweest door series als Dexter, The Godfather en The Sopranos, en vergeet vooral ook niet films als Kill Bill, ben ik toch, dunkt mij, gehard tegen geweld in de meest rauwe vormen. Wat in genoemde producties allemaal qua geweld aan de orde komt kan ik zelf niet bedenken. Ik beschouwde mezelf dus als redelijk immuun voor nieuwe gewelddadige verhalen. 

“Beschouwde” in de verleden tijd, want het interview met juriste Machteld Zee in de bijlage letter & geest van Trouw van 22 oktober 2016 ‘Ban de shariarechtbank’ gaf me koude rillingen toen ik het las. Koude rillingen van afschuw, maar ook van angst die raakt aan angst voor verlies van persoonlijk lijfsbehoud. God bewaar dat ik onder het shariarecht zou komen te vallen. Dan zou ik mij dus door mijn partners moeten laten mishandelen, geheel wettig, en moet ik toestemming van die abuser hebben om van hem te kunnen scheiden en moet ik ook nog aan zijn sexuele wensen voldoen zolang er geen scheiding is uitgesproken. Als dat ook al in Nederland mag, waar kan je als vrouw dan nog naar toe?! Ik krijg het alweer koud.

Ik verklaar mijn reactie uit de beschreven extreme en mensonterende rechteloosheid van vrouwen binnen de sharia-rechtspraak en de geopperde mogelijkheid dat die ook hier in Nederland dreigt te komen. Want er zijn in Nederland mensen die daar, vermoedelijk uit onwetendheid?, voor pleiten. Als je onze populistische politieke schreeuwers flink wind mee wil geven moet je vooral voorstellen om het shariarecht wettig in Nederland te maken. Het ware kwaad zit niet eens (wel bijna) in de dubbele moraal met zijn afschuwelijke, gewelddadige excessen tegen vrouwen, maar juist in onwetendheid en gebrek aan kennis en informatie. Als een geciviliseerd land als Nederland, met zijn buitengewoon belangrijke recht op meningsuiting, al niet in staat blijkt om relevante informatie in het publieke domein neer te zetten, waar stevenen we dan met z’n allen op af? Miscommunicatie over kwesties die aan de kern van de menselijkheid raken mogen gewoon niet mogelijk zijn, maar zijn daarentegen juist aan de orde van de dag.

Rationeel gesproken ben ik er niet bang voor dat we in Nederland weer terug kunnen en zullen gaan naar de fase waarin de opgebouwde wettelijke gelijkheid van rechten van mannen en vrouwen weer een paar eeuwen teruggedraaid wordt. Maar alles in mij is bang voor discussies die gevoerd dreigen te gaan worden waarin misinformatie wordt verspreid en mensen op basis van onjuiste en onvolledige kennis de discussie zwaar bemoeilijken. Door al dat willekeurige geschreeuw ziet een mens door de bomen het bos niet meer. Want ook al heb ik vertrouwen in de rationaliteit van onze landsbestuurders en hun vermogen om het hoofd koel te houden, ik ben wel degelijk heel bang dat onze populistische schreeuwlelijken hier weer hun egoïstische slaatjes uit gaan slaan en misschien zelfs weer een regering mede gaan vormen waar ze nog meer kunnen zieken en verzieken. En dat allemaal op conto van miscommunicatie en gebrekkige informatievoorziening.

5. Agressie vs uitlaatklep

Naar aanleiding van het stukje Free fights door Leonie Breebaart in de bijlage letter & geest van Trouw (16-10-2016) waarin zij onder andere zegt, ik parafraseer, dat geweld bij de menselijke natuur hoort schieten mij voorbeelden te over in gedachten die deze stelling onderbouwen. Ik denk dat we voorbeelden genoeg kunnen vinden voor alle leeftijden en beide seksen, als we even de tijd nemen, waaruit blijkt dat geweld (fysiek, mentaal, of door uitsluiten, negeren, kleineren, enz.) in onze leefwereld een vaste plek heeft. In meer of mindere mate.

In mijn klassen valt mij op dat mijn leerlingen in ieder geval erg op lichamelijk contact ingesteld zijn wanneer zij in de tweede en derde klas komen. In de brugklas is het nog vooral rennen en verstoppen wat de klok slaat, maar daarna volgt een jaar of twee van overdadig knuffelen wanneer meisjes elkaar tegenkomen na een vol lesuur elkaar gemist te hebben en de jongens zich iedere moeite getroosten om elkaar maar te laten struikelen, klem te zetten, te beklimmen enz. Wat de jongens doen kun je geen geweld noemen (het is stoeien en niet kwaad bedoeld) maar wel een oefening in jezelf scholen in de edele vechtkunsten. Sommigen zitten ook op een vechtsport en laten trots zien wat ze al kunnen en aan het leren zijn. Helaas doen ze dat ook in de klas en dan moet jij als docent dat natuurlijk verbieden want als er iets gebeurt ben je verantwoordelijk en zullen de claims van de ouders niet misselijk zijn.

Ik vind het jammer dat jongens zich niet meer mogen uitleven zonder dat iedereen meteen een appelflauwte krijgt als eentje een keer een blauw oog scoort. En ik denk ook dat het voor veel meisjes niet alleen goed is om zichzelf te leren verdedigen, maar dat ook zij een uitlaatklep nodig hebben voor alle boze gevoelens die zij ondergaan. Door het opbouwen van grieven en boosheid kun je een behoorlijk giftige persoonlijkheid worden, mannen ook maar vrouwen nog veel meer.

Kan er niet van overheidswege worden ingevoerd dat op alle vo-scholen (voortgezet onderwijs) in de gymles ook een serie lessen over zelfverdediging aan bod komt? Daar kunnen de kinderen hun hart ophalen aan fysiek contact, ze leren van zich af te slaan en ze leren hun impulsen te controleren. Er ontstaat bovendien een uitlaatklep voor ongenoegens en je gebruikt ook nog eens al je spieren. Wat wil een mens nog meer?

Ik ben benieuwd op welke problemen dit voorstel allemaal gaat stuiten.

4. Cursus fysiek geweld

Het lezen van het artikel Een leraar is ook maar een mens, uit Onderwijsblad 15 van dit jaar en geschreven door de jurist Frans Lathouwers, raakte bij mij een gevoelige snaar. Het gaat over een lerares die door omstandigheden haar zelfbeheersing verliest wanneer ze, na geschopt en bespuugd te zijn, de dader (haar leerling) een klap geeft. Gelukkig komt dit niet vaak voor, maar hoe vaak komen we niet in de gevarenzone, waarbij het nog net goed gaat?

Als leraar of docent heb je geen invloed op wie dit jaar weer jouw leerlingen worden en het is altijd maar afwachten wat het jaar gaat brengen. Dat leerkrachten niet mogen slaan is niets bijzonders, want niemand mag een ander slaan. Bij wet is geregeld dat ieder mens wel het recht heeft zichzelf te verdedigen (vuistregel: geef nooit zelf de eerste klap!) maar dat recht gaat blijkbaar niet op als je onderwijs geeft, want daar spelen andere zaken.

Leerlingen zijn allemaal anders, ieder heeft zijn eigen genetische opmaak, achtergrond en opvoeding die hem tot dat individu maken. Daarbij kan het dan ook voor komen dat een leerling agressief is en/of gewelddadig. Je moet als lesgever een ware supermens zijn om een leerling die naar je wil uithalen (of een ouder, het komt voor!) zodanig te ontwijken dat de beginner van dit geweld niet jou als initiator aanwijst en zelf spontaan in willoos slachtoffer verandert. Wanneer krijgen alle mensen die met leerlingen en hun verzorgers te maken hebben nu eindelijk eens die cursus waarbij je zonder fysiek contact te maken een zeer fysiek gevecht kunt beëindigen? En liefst voor je de eerste klap incasseert? En geef die cursus dan ook meteen aan ambulancepersoneel, buschauffeurs, treinconducteurs en anderen die in dezelfde machteloze en rechteloze positie terecht kunnen komen..

Ik pleit voor nieuwe wetgeving waarin duidelijk wordt dat, bij voorbeeld, iemand die met slaan begint zelf ook een klap terug kan verwachten, ook als het om een leerling gaat. Want wat doe je als je tegenover zo'n jongen staat die een kop groter is dan jij, die aan vechtsport doet en naar je uithaalt omdat hij het niet met je eens is, maar die jij niet van je af mag houden want het betreft hier EEN LEERLING. En die mag je niet slaan. Dit is even een fictief voorbeeld, maar ik ben er een paar keer angstwekkend dichtbij geweest dat het dreigde te escaleren.

Toen het speciaal onderwijs, een aantal jaren geleden, werd opgeheven doordat het werd overgeheveld naar het regulier onderwijs (geldkwestie natuurlijk, geen didactisch onderbouwde motieven) kreeg het lesgevend en ondersteunend personeel het flink voor de kiezen. Want hoe je binnen de bestaande wetgeving, met de almaar toenemende eisen aan de bekwaamheden van docenten, ook nog een groep les moet geven waarvan het groepsproces te vaak beheerst wordt door leerlingen die niet zijn ingesteld op leren in een groep of sowieso op leren, daar werd niet over nagedacht door de oneindig wijzen die dit bepaalden.

Want ik zeg weer iets dat eigenlijk verschrikkelijk fout is, ik ondergraaf nu mijn eigen geloofwaardigheid als docent, ik pleeg nu beroepsmatige zelfmoord: er zijn ook leerlingen die niet in staat zijn om te leren wat jij ze voorschotelt. Ik herinner mij een discussie met een vrouw die ons docententeam kwam vertellen dat wij alle leerlingen, ook degenen die 's nachts niet slapen omdat ze alleen onder een bar in een kroeg konden slapen (echt waar!), ook degenen die in de rouw zijn, mishandeld worden, bedreigd worden met uitzetting en noem het maar op, al die kinderen kunnen prima een diploma halen ALS JIJ JE DIDACTIEK MAAR VERBETERT! Ze kwam met een presentatie waarin alleen al de verschillende dia's elkaar tegenspraken, om maar niet te zwijgen van wetenschappelijk onderzoek waar ik toevallig net over had gelezen dat aantoonde hoe een leerproces tot stand komt en dat daar wel eens wat fout gaat. Deze beleidsdame had met haar medebeleidsmensen in hun ivoren toren wat dingen bedacht en een weerwoord is niet welkom. Ik zou, als ik haar was geweest, hebben willen horen wat onze ervaring met bepaalde leerproblemen zijn, waar wij tegen aan lopen, waarom bepaalde theorieën niet op lijken te gaan en wat er dan misschien wel zou kunnen werken. Gebruik onze ervaring en kunde om je theorieën bij te stellen en tot een werkzaam beleid te komen!

Tja.

3. Last met lezen: door gebrekkig Nederlands of dyslectie?

Het woord dyslectie is tegenwoordig een algemeen bekend begrip, waarschijnlijk doordat alle scholen (basis- en middelbare scholen) er alert op zijn dat het bij een leerling kan spelen als het kind onvoldoende presteert. Ouders worden er over geïnformeerd en resultaten van onderzoeken over dyslectie halen de landelijke nieuwsbladen.

Volgens www.scholieren.com is sinds 2007 het aantal dyslectici vervijfvoudigd tot 7,4%. Echter, wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat het werkelijke aantal dyslectici eerder tussen 3 en 4% ligt. Voor deze discrepantie worden verschillende oorzaken gesuggereerd, waaronder de mogelijkheid dat antwoorden bij testen onbetrouwbaar kunnen zijn en zo leiden tot een vals positieve uitslag. Op www.dyslectie.eu valt te lezen dat de kenmerken en symptomen van dyslectie per leerling verschillen, waardoor diagnose een lastige zaak is.

Dan lees ik dus met verbazing de suggestieve kop in Trouw (7-10-2016): "Dyslectie bij allochtone kinderen vaak genegeerd", die bij mij de associatie oproept van vele allochtone kinderen die met opzet hulp bij hun dyslectie wordt onthouden door de betreffende instanties, omdat ze allochtoon zijn. Terwijl het artikel toch meteen begint met te stellen dat bij leesproblemen moeilijk is vast te stellen of dat ligt aan taalachterstand of dyslectie. We moeten dus eigenlijk concluderen dat de dyslectische allochtoon niet wordt genegeerd maar dat het vaststellen van dyslectie bij allochtone kinderen zodanig extra lastig is dat de meesten geen extra hulp krijgen. Zonder diagnose geen dyslectie-hulp, dat geldt voor alle leerlingen, ook de autochtone.

Het feit dat 2% van de niet-westerse allochtone ouders aangeeft dat zij vermoeden dat hun kind dyslectisch is wordt als een onderbouwend feit van de stelling (in de kop) gezien. Maar dyslectie kun je als leek hooguit vermoeden, waarna een test moet uitwijzen of daar ook inderdaad sprake van is. Uit eigen ervaring weet ik dat ouders soms verbaast kunnen zijn over de testuitslag, zijnde dat hun kind dyslectisch is. Ook kunnen kinderen bepaalde kenmerken bezitten zonder het officieel te zijn. Het vermoede aantal dyslectici is veel groter dan het daadwerkelijk aangetoonde aantal.

Op de scholen waar ik gewerkt heb, reguliere representatieve scholen, wordt bij leerproblemen altijd meteen gekeken of dyslectie daar een rol in heeft, ongeacht de etniciteit van de leerling. Ik maak dus ernstig bezwaar tegen de keuze van het woord negeren. De toon van het artikel is kloofverbredend, terwijl ik in een kwaliteitsblad als Trouw op zijn minst een neutrale berichtgeving verwacht. Daarom suggereer ik hier in ieder geval een nieuwe titel: Allochtone dyslect kan meer hulp gebruiken! Met als ondertitel: Hoe pakken we dat aan?

Wat eigenlijk het grootste probleem hier is, is dat de kennis van de Nederlandse taal te weinig aanwezig is om een betrouwbare diagnose te doen. Daarom pleit ik voor meer druk op scholing in de Nederlandse taal van elke allochtoon die in Nederland woont, ook degenen die er al een tijdje zijn. Er zijn nog te veel voorbeelden van ouders die het Nederlands niet machtig zijn en om hun kinderen adequaat te kunnen helpen moet hun Nederlands van zodanig niveau zijn dat er ook echt iets te testen valt zodat er desgewenst een hulpprogramma opgestart kan worden. Ben benieuwd hoeveel andere problemen, culturele bij voorbeeld, verkleind worden als we elkaar wat beter kunnen verstaan. Ik merk dat ik baat heb bij meer allochtone columnisten die mij vertellen hoe zij de wereld zien. Maar dan moeten ze wel kunnen schrijven...

2. Motivatieprobleem bij Nederlandse scholieren

Volgens het artikel Waar is de motivatie? van Michiel van Nieuwstadt in Onderwijsblad 15 (een periodieke uitgave van de Algemene Onderwijsbond voor leerkrachten in het basisonderwijs en docenten in het voortgezet onderwijs) op bladzijde 28 blijkt uit een internationaal gehouden enquête onder scholieren dat in sommige landen, waaronder Nederland, geen politiek wenselijke maar juist eerlijke antwoorden worden gegeven op de vraag wat ze van wiskunde vinden (leuk?, lezen ze er over?,...). En dan zeggen die leerlingen in Nederland bij voorbeeld gewoon dat ze het niet leuk vinden. En dat ze er geen boeken over willen lezen. Hoe is dit mogelijk!! Een motivatieprobleem!

Uit elke rapportvergadering die ik tot nu toe heb bijgewoond blijkt dat het lezen van boeken voor sommige leerlingen met een beta-inslag te veel gevraagd is. En die zouden vrijwillig een boek over wiskunde willen lezen? Wiskunde is leuk om te doen en erover lezen komt pas als je genoeg kennis en levensjaren heb vergaard om de boeken die over wiskunde schrijven te kunnen begrijpen. De leerlingen die wel van lezen houden pakken een spannende nieuwe uitgave van Wallis de Vries of zo'n fantasy chronicle met gelijk drie delen, die zijn al blij dat ze de laatste wiskundetoets weer overleefd hebben en gaan niet er nu ook nog eens extra over lezen.

Zelf ben ik dol op wiskunde en betreur ik het dat niet iedereen direct en automatisch de pracht van dit vak ervaart, maar ik heb toch met eigen ogen gezien dat de logica van wiskunde gewoon niet overkomt bij sommige mensen. In het begin van mijn lesgeeftijd dacht ik nog dat als je wiskunde niet snapt dat je dan dus de kunst van het logisch redeneren ontbeert. Echter in andere vakgebieden, zoals een taal of geschiedenis, blijken deze mensen wel degelijk zeer logisch te kunnen redeneren, het gaat alleen niet over/via wiskunde. Voor mij een eye-opener.

Een ander punt dat ik mis in de argumentatie van dit artikel is dat we blijkbaar allemaal van wiskunde moeten houden. Die mening kom ik in onderwijsland meer tegen, maar dan breder geformuleerd: als alle vakken "leuk" worden gegeven dan kan de leerling dat vak leuk vinden en begrijpen. Nu durf ik veilig te beweren dat al mijn collega's in alle disciplines op hun eigen manier hun stinkende best doen om hun vak "leuk" over te brengen. De een zal daar beter in zijn dan de ander, maar het is didactische truc nummer een met alle geldige argumenten die de voordelen van "leuk" onderbouwen. Je zou dus kunnen gaan denken dat elk vak door alle leerlingen leuk gevonden moet kunnen worden. Deze stelling gaat in de praktijk echt niet op en ik daag iedereen uit mij een voorbeeld te geven van iemand die ALLE vakken leuk tot geweldig vindt/vond. Zelfs een leergierige en brave scholiere als ik ooit was kon onmogelijk alle vakken waarderen.

Misschien moet de schokkende waarheid toch maar een keer hardop gezegd worden: je kunt niet alles leuk vinden want je hebt als mens nu eenmaal je eigen specifieke talenten. Zelfs de hoogbegaafde leerling die in bijna alles uitmuntend scoort zal toch voor het ene vak meer zijn best moeten doen dan voor het andere en het ene vak interessanter vinden dan het andere. Zo zitten we in elkaar. Hoe vaak hebben sommige van mijn eigen leerlingen niet verzucht dat ze het wel leuk vinden maar het gewoon niet begrijpen, of andersom: ik ga het niet kiezen ook al ben ik er niet slecht in want ik vind het gewoon niet zo leuk als bepaalde andere vakken.

Het motivatieprobleem zal zich dus niet laten oplossen door nog leukere lessen (en houd op de eventueel falende didactische kwaliteiten van de docent er weer bij te slepen, de eeuwige "oplossing" voor elk onderwijsministerieel probleem is bij de docent zijn didactische vaardigheden te verbeteren) maar vertelt ons wat de leerling wel of beter niet kan kiezen. Laten we blij zijn dat al die didactisch zeer onderlegde professionals een dusdanig veilige sfeer in de klas weten te bewerkstelligen dat de leerling ons wil vertellen hoe het zit in plaats van wat we graag zouden willen horen. Eerlijkheid boven alles!

1. Je eigen land

Nog in de basisschoolleeftijd kwamen mijn twee dochtertjes eens beduusd thuis: een groepje allochtone leeftijdgenootjes in de buurt had tijdens een ruzie bij het buitenspelen tegen hen gezegd: ga terug naar je eigen land! Daar waren ze toch al?

Deze verwensing kregen de buurtgenootjes blijkbaar ook wel eens te horen en ik vermoed dat zij daar net zo weinig kaas van konden maken als mijn dochtertjes. Het doet je afvragen waarom je iemand iets zou verwensen dat technisch gesproken onjuist, maar ook niet relevant is. Dat verwensingen goed zijn om stoom af te blazen heeft iedereen vast wel eens ervaren. En dat we tijdens ruzies dingen zeggen die we niet menen gebeurt de een meer dan de ander maar bij het bijleggen van dat dispuut kun je het meeste met sorry zeggen wel weer rechtzetten. Toch wens ik dan op melancholische momenten dat iedereen zich eerst even zou afreageren met een pen op een kladblaadje, dat kladblaadje daarna zorgvuldig zou weggooien en dan ten slotte zegt waar het werkelijk om gaat. En dan ook nog in opbouwende vorm, met behoud van respect voor de ander, tegen die ander. En alleen tegen die ander.

Helaas, we zijn geen supermensen. Maar het streven naar oplossingsgericht reageren in plaats van af te breken zou een hoop kunnen schelen. Kunnen we daar onze opvoeding, scholing en persberichtgeving niet (nog) meer op richten? Ik stel voor dat we met z'n allen alleen nog zeggen en schrijven wat opbouwend is geformuleerd en dat we er niet meer op reageren als we weer zo'n afbraakboodschap ontvangen. Wel een beetje zielig voor sommige politici, die juist populair zijn om hun vermogen tot schofferen, als die ineens consequent genegeerd gaan worden waar ze altijd zo succesvol waren. Hoe gaat Nederland er dan uitzien? Ik kan me daar nog even niks bij voorstellen.

0. Doelen van dit blog

Als werktuigbouwkundig ingenieur (ing.) heb ik acht jaar in het industriële bedrijfsleven gewerkt, waarbij ik honderden fabrieken en metaalgieterijen heb bezocht. Ik sprak met ingenieurs, operators, inkopers en directeuren en leerde het zakenleven van alle kanten kennen. Daarna volgden vier jaren thuismoederschap, waarna ik het onderwijs in ging als  docent natuurkunde. Tien jaar later deed ik, naast mijn lessen, een wetenschapsjournalistiekcursus bij New Scientist in Amsterdam. Als gevolg daarvan zou dit blog dankzij een van de cursusgevers op 5 oktober 2016 het leven zien. Dank daarvoor!

Dit blog begon als een schrijfoefening, maar vanaf het eerste stukje wist ik binnen welk format ik wilde schrijven. Het zou voornamelijk over onderwijs gaan en in mindere mate over andere zaken als politiek, farmacie en psychologie. Mijn streven is om meer vragen op te roepen dan te beantwoorden, mensen aan te zetten tot nadenken over wat zo vanzelfsprekend lijkt en tenslotte discussies op te roepen. Waar ik overigens, wat mij betreft, niet per sé zelf aan hoef deel te nemen.

Aan ieder die de moeite neemt om stukjes uit dit blog te lezen: dank! Reacties zijn welkom.